Virtueel netwerk voor beroepsonderwijs

Onderwijs en bedrijfsleven komen tot elkaar via een virtueel netwerk

Geen grote kantoorgebouwen, geen glimmende machines, geen honderden personeelsleden. Met twee collega's en een handvol laptops huist directeur J. Meijer van technocentrum De Vallei in twee kleine kamertjes van het gebouw van de Onderwijsgroep A12, een school voor onder meer middelbaar beroepsonderwijs (MBO). Het technocentrum is, anders dan de naam doet vermoeden, een virtueel netwerk tussen scholen voor middelbaar en hoger beroepsonderwijs, universiteiten, bedrijven en gemeenten.

Met de technocentra wil minister Hermans (Onderwijs) het tekort aan technici aanpakken en de aansluiting tussen technisch (beroeps)onderwijs en de regionale arbeidsmarkt verbeteren. Want daartussen gaapt een diepe kloof, zo klagen werkgevers. Als er al technisch personeel te vinden is, zijn ze niet goed inzetbaar en moeten ze op allerlei fronten worden bijgeschoold. Scholen hebben geen geld voor de dure machines en de geavanceerde software die nodig zijn voor een goede opleiding. Bovendien staan leraren vaak te ver van de praktijk om te weten wat bedrijven precies verwachten aan kennis en vaardigheden van de afgestudeerden.

Een technocentrum moet bedrijven en scholen dichter bij elkaar brengen. Het centrum moet bijvoorbeeld een school die geen geld heeft voor dure machines, in contact brengen met het bedrijf om de hoek dat ze niet elke dag gebruikt. Of met een andere school die wél de apparatuur in huis heeft. Het centrum kan overleg tussen scholen en bedrijven bevorderen zodat het onderwijs zo goed mogelijk kan worden aangepast aan de eisen van de praktijk.

Vijftien initiatiefnemers hebben zich inmiddels gemeld. Als zij vóór 15 november een goed businessplan overleggen, krijgen ze van Hermans een startsubsidie van 40 miljoen gulden. Gebruiken ze dat geld goed, dan komt er tot 2010 nog 160 miljoen gulden bij.

Het technocentrum in Ede is een voorloper. ,,We wilden niet wachten tot het geld er was'', zegt Meijer. Hij wil voor de hele regio – van Nijkerk tot Wageningen – een intermediair zijn tussen onderwijs en arbeidsmarkt. ,,Wij makelen, schakelen en organiseren'', zegt hij. ,,Wij maken en onderhouden het virtuele netwerk dat nodig is om de contacten tussen verschillende partijen te realiseren.''

Niet iedereen is enthousiast over de virtuele centra die sterk afwijken van het oorspronkelijke plan van de vorige minister van Onderwijs, Ritzen. Hij beloofde 500 miljoen gulden voor vijf centra in de Randstad. Het ging hierbij in tegenstelling tot het huidige plan om fysieke gebouwen waar moderne computers en apparatuur zouden komen staan. Om dit allemaal te betalen zouden gemeenten, bedrijven en scholen eenzelfde bedrag moeten neertellen.

In praktijk liep het anders. De nieuwe minister, Hermans, vond een half miljard te gortig. Het kon volgens hem veel goedkoper als technocentra niet zelf apparatuur zouden kopen, maar als intermediair zouden proberen vraag en aanbod beter op elkaar af te stemmen. Het budget werd verlaagd naar 200 miljoen. Daarnaast werd het aantal centra uitgebreid tot vijftien, omdat volgens Hermans regio's buiten de Randstad ook behoefte hebben aan technocentra.

De vijf initiatiefnemers die zich onder Ritzen hadden uitgeput in het schrijven van mooie businessplannen, waren teleurgesteld. ,,Zeg maar rustig pisnijdig'', zegt R. van der Moolen, initiatiefnemer voor het technocentrum in de regio Rijnmond. Hij is gecharmeerd van het idee samen te werken, maar vindt dat technocentra ook geld moeten hebben om zelf te investeren in apparatuur. ,,Als je armoede moet verdelen, gaat het nergens over.'' Van der Moolen weet waar hij het over heeft. Al vijf jaar runt hij in Rotterdam het project Kennisinfrastructuur Mainport Rotterdam, een samenwerkingsproject dat tot doel heeft onderwijs en bedrijven in specifiek Rotterdamse sectoren (zoals scheepvaart en metaalindustrie) beter op elkaar te laten aansluiten.

Volgens Van der Moolen zijn veel plannen die de technocentra moeten realiseren naïef. ,,Leerlingen kunnen niet zomaar een raffinaderij of een Akzo-fabriek binnenstappen om daar te leren. Eerst moeten ze een verrekte goede training hebben gehad. Daarnaast zijn veel bedrijven dag en nacht in bedrijf. Om ze goed voor te bereiden moet je als technocentrum zelf goede simulatieapparatuur hebben en dat kost nu eenmaal geld.

Ondanks die kanttekening zal voor half november een plan voor een Rotterdams technocentrum bij het ministerie van Onderwijs op de mat liggen. ,,We zullen bij scholen, universiteiten, bedrijven, gemeenten aankloppen voor extra geld. Gelukkig zien zij ook het belang van de investeringen in. We zitten hier in de meest geïndustrialiseerde regio van Nederland, dus hebben we kennis en kunde van wereldniveau nodig.''

    • Sheila Kamerman