Veel betere buren dan we denken

In de eerste jaren na de Tweede Wereldoorlog ontbrak het in Nederland aan een realistisch beeld van de nieuwe internationale verhoudingen. Dat heeft geleid tot verlammende illusies in de belangrijkste hoofdstukken van de buitenlandse politiek, uitzichtloze militaire avonturen tegen Indonesië en overschatting van de ruimte voor een zelfstandige rol bij het regelen van de nieuwe verhoudingen in Europa.

Friso Wielenga, hoogleraar moderne Duitse geschiedenis in Utrecht, heeft over één van de kernproblemen, de betrekkingen tussen Nederland en Duitsland, opnieuw een omvangrijke studie gepubliceerd, ditmaal gewijd aan de periode 1945-1995. Het getuigt van durf en snelheid van werken dit gecompliceerde, actuele thema nu al tot onderwerp van geschiedschrijving te kiezen. Het is een heldere, overzichtelijke uiteenzetting, die wel beknopter is dan zijn tien jaar eerder verschenen dissertatie – waarin hij zich tot de eerste tien jaar na de oorlog beperkte – maar dat blijkt geen afbreuk te hebben gedaan aan de grondigheid van het onderzoek.

In hardnekkige legenden wordt Nederland in de eerste decennia na 1945 als buitengewoon anti-Duits gepresenteerd. In Van vijand tot bondgenoot laat Wielenga zien dat dit een scheve voorstelling van zaken is. De eerste paar naoorlogse jaren ging het er nog wel om, herstel van een machtig Duitsland te voorkomen, maar al spoedig overheerste de vrees voor de westwaarts opdringende Sovjetmacht. Afgezien van Groot-Brittannië en Frankrijk, die bezettingszones in Duitsland bestuurden, heeft geen West-Europees land de eerste tien jaar na de oorlog op hoofdpunten meer steun verleend aan de opbouw van de Bondsrepubliek dan Nederland.

Wielenga scherpt in dit boek zijn eerdere West-Duitsland: partner uit noodzaak (1989) op enkele punten aan, waardoor nu onder andere meer licht valt op twee veelzeggende incidenten die de opstelling van Den Haag typeren. Nadat Dean Acheson, de Amerikaanse minister van buitenlandse zaken in de zomer van 1950 vergeefse pogingen had gedaan de Britten en de Fransen ertoe over te halen in NAVO-verband ook Duitse troepen op te stellen, was het zijn Nederlandse ambtgenoot Stikker die een en ander in september 1950, op verzoek van Washington, in de NAVO-raad bepleitte. Een maand later diende Frankrijk het eerste concrete plan in om in Europees verband Duitse troepen op de been te brengen. Inmiddels was de Bondsrepubliek weer de belangrijkste handelspartner van Nederland. Vijf jaar na deze eerste stap op de weg naar de bewapening van West-Duitsland werd de Bondsrepubliek opgenomen in de NAVO.

Grote zorgen

Vrijwel de gehele naoorlogse periode was een van de grootste zorgen in Den Haag te voorkomen dat de Duitsers de indruk zouden krijgen voor hun nationale belangen geen gehoor te vinden in het Westen, zodat een Duits nationalisme los van het bondgenootschap de overhand zou kunnen krijgen. Een sprekend voorbeeld betreft de reactie van Den Haag op een waarschuwing in de NRC, begin 1955, tegen al te nationalistische Duitse illusies. Buitenlandse Zaken ging (vergeefs) over tot interventie bij de hoofdredactie en stelde het `beslist onaanvaardbaar' te achten dat de krant in haar kritiek `verder zou gaan dan de weergave van een onder de Westerse publieke opinie levende opvatting.'

Stelde men zich achter de Duitse herbewapening dan diende ook te worden geaccepteerd dat voormalige Wehrmacht-officieren bij de militaire wederopbouw van Duitsland een centrale rol zouden spelen, meende men in Den Haag. De opbouw van de Wehrmacht, die niet zonder affaires en spanningen verliep, werd koel en terughoudend becommentarieerd. Openbaar debat werd zo veel mogelijk gemeden, publieke interventies zouden volgens Den Haag `niet alleen snel tot emotionele uitvergroting kunnen leiden, maar ook de opbouw van een stabiele Bundeswehr kunnen belemmeren'. Het nieuwe realiteitsbesef over de internationale positie van Duitsland bleek in de Haagse diplomatie tekort te schieten toen Adenauer en De Gaulle de Frans-Duitse betrekkingen trachtten te stabiliseren. Wielenga spreekt van `een bijna pathologische antigaullistische pre-occupatie van Den Haag' en oordeelt: `het bredere Europese perspectief viel geheel buiten het Nederlandse gezichtsveld'. De (vooral bij Luns aanwezige) `eigen francofobe instelling stond zo centraal dat men geen oog had voor de belangen van het Duitse buitenlands beleid'.

Als de belangrijkste keerpunten in de bilaterale betrekkingen noemt Wielenga de door Bonn voorgestelde Generalbereiniging (in 1960 ondertekend maar in Den Haag pas in 1963 geratificeerd) en het aantreden van twee in Nederland in moreel en in politiek opzicht gewaardeerde `goede Duitsers': het nieuwe staatshoofd van de Bondsrepubliek, Gustave Heinemann, en de nieuwe leider van de Duitse sociaal-democratie, Willy Brandt, die vorm zou geven aan een nieuwe, op een versterking van de internationale ontspanning gerichte Ost-politik.

Een hoofdlijn in ontwikkeling van de betrekkingen tussen beide landen in de eerste halve eeuw na de oorlog geeft aan dat ons land weliswaar voorop ging waar het de normalisering van de positie van de Bondsrepubliek op het vlak van de economie en de internationale politiek betrof, maar in Europa de hekkensluiter was waar het om bilaterale normalisering ging.

De nasleep van de Tweede Wereldoorlog is in Wielenga's visie het zwaartepunt van de problematiek in de relaties tussen Den Haag en Bonn. Vanuit die gezichtshoek besteedt hij veel aandacht aan problemen die zich hebben voorgedaan met de in Nederland gevangen gehouden Duitse oorlogsmisdadigers, De Vier, Drie, Twee van Breda, een kwestie die pas in 1989 uit de wereld was. Hij werpt de vraag op `of het argument dat tot 1989 vrijlating in de weg zou staan – het extraleed dat oorlogsslachtoffers daardoor zou worden toegebracht – uiteindelijk juist is geweest. ... Het is denkbaar dat een korte pijnlijke schokgolf rond 1970 uiteindelijk minder emoties en psychisch leed zou hebben aangericht dan het steeds weer oplaaiende debat uit de jaren zeventig en tachtig'. Hij meent dat de regering, ook in belang van de rechtsstaat, eerder haar verantwoordelijkheid had moeten nemen.

Trauma's

Instemming met dit betoog neemt niet weg dat deze tamelijk gangbaar geworden voorstelling van zaken, onbevredigend blijft. Het probleem wordt zodoende te sterk gezocht in persoonlijke psychische trauma's en rancunes van een oudere generatie. Maar elk begrip van de op zichzelf soms beschamende gang van zaken bij de behandeling van Duitse gevangenen, wordt vertroebeld zolang de niet minder beschamende onverschilligheid en verwaarlozing buiten beschouwing wordt gelaten van het leed van Nederlandse verzets- en oorlogsgetroffenen en hun nabestaanden in de twee eerste decennia na de bevrijding. Nederland stak ongunstig af bij andere West-Europese landen, waar medische en sociale zorg- en opvangregelingen al bestonden in de Eerste Wereldoorlog. Deze houding stond voor menigeen in schril contrast tot het ontzien van Duitse meelopers en handlangers van Hitler in Den Haag. Hier treft men een van de voornaamste bronnen van gevoelens van onvrede en verbittering die werden gemobiliseerd om in de jaren zeventig, zij het zeer laat, althans nog enige aandacht en nazorg voor de oorlogsslachtoffers te verzekeren.

Wielenga besteedt ook veel aandacht aan de geruchtmakende incidenten en anti-Duitse stemmingmakerij tijdens de opkomst van de PSP, Nieuw Links en Provo in de jaren zestig. Hij benadrukt terecht dat deze voor ons land niet representatieve toonzetting ten dele voortsproot uit politiek opportunisme dat niets van doen had met ervaringen tijdens de Duitse bezetting. Toen kan de verkeerde indruk zijn ontstaan dat links zich over het algemeen minder redelijk tegenover de Bondsrepubliek heeft opgesteld dan rechts. Er zijn echter, over de gehele naoorlogse periode bezien, veel voorbeelden van het tegendeel te geven. Een van de meer opmerkelijke waaraan de schrijver herinnert, is het advies van oud-minister van Onderwijs Bolkestein in 1947 om het Duits, de taal van een `misdadig volk', als verplicht vak uit het lespakket te laten verdwijnen: `Maatschappelijk verkeer is met dit volk in het algemeen niet nodig', vond hij. Juist links keerde men zich daar toen al onmiddellijk tegen.

In zijn uitvoerige weergave en bespreking van Nederlandse, Duitse en algemeen Europese opinieonderzoeken komt Wielenga tot de slotsom dat Nederlanders na de oorlog over Duitsers vaak positiever oordeelden dan in andere landen van de Europese Unie het geval was. Het `Hollandse niveau' van waardering voor Duitsers was relatief hoog, een feit dat niet in overeenstemming is te brengen met de vermeende brede en bijna onoverkomelijke geachte afkeer van Duitsland, die in gemakzuchtige media in beide landen nogal eens opgeld deed.

Wel is er een structurele bron van spanning in de betrekkingen tussen beide landen, meent Wielenga, namelijk het feit van een nabuurschap tussen een groot en een klein land, versterkt door `verschillende historische wortels van de Nederlandse en de Duitse politieke cultuur', waar men aan beide zijden van de grens mee moet leren omgaan. Het dieptepunt in de meer dan anderhalve eeuw enigszins problematische betrekkingen, de jaren 1940-1945, vormt daarin een korte, zij het onuitwisbare episode. Dit belangrijke punt werkt Wielenga niet nader uit. Nog niet, is men geneigd te hopen.

Friso Wielenga: Van vijand tot bondgenoot. Nederland en Duitsland na 1945. Boom, 480 blz. ƒ57,50

    • Ger Verrips