Uitverkoren

Van kindsbeen af is mij voorgehouden dat je uitsluitend door het geloof gerechtvaardigd werd. En dat geloof kreeg je van God, dat kwam niet uit jezelf voort. Ontving je dat geloof, dan behoorde je tot de uitverkorenen. Ontving je het niet, dan was je verdoemd. Een en ander was reeds van eeuwigheid her door God voorbeschikt. Of zoals ik het een dominee in mijn jeugd heb horen zeggen: ,,God, geliefde gemeente, heeft een reusachtig boek waarin de namen aller schepselen zijn opgetekend, zij die geweest zijn, zij die nu leven, zij die nog komen moeten. Achter elke naam staat geschreven: uitverkoren of verdoemd.''

Misschien dat een hedendaagse orthodoxe dominee het woord boek zou vervangen door `harde schijf van Gods computer', maar deze bizarre gedachtengang wordt nog steeds door rechtzinnige protestanten aangehangen. Calvijn heeft het immers aan de hand van de Schrift grondig nagerekend. Vervolgens heeft hij toen Gods' raadsbesluiten goedgunstig geratificeerd.

In welke absurde moeilijkheden je met deze afschuwelijks uitverkiezingsleer terechtkomt, blijkt uit de strijd tussen de infralapsaristen en de supralapsaristen. Volgens de infralapsaristen heeft God de val van Adam wel voorzien, maar niet doelbewust gepland. Volgens de supralapsaristen heeft God zelfs de val van Adam voorbeschikt! Waaruit dus voortvloeit dat Hij ook de eeuwige verwerping van miljoenen heeft voorbeschikt. We hoeven gelukkig geen partij te kiezen tussen de infra- en supralapsaristen. Infra of supra, het is simpelweg misdadige onzin. Wat dat hele uitverkiezingsdogma en het daarmee samenhangende dogma van de rechtvaardiging door het geloof alleen zo bizar maakt is dat er door Jezus in het evangelie nergens ook maar op gezinspeeld wordt. Integendeel: hij hangt duidelijk de helaas wat naïeve, maar beminnelijke opvatting aan: wie goed doet, goed ontmoet.

Steevast stelt hij aan degenen die goed doen een beloning in het vooruitzicht. Petrus zegt op een bepaald moment: `Zie, wij hebben het onze prijsgegeven en zijn U gevolgd.' En hij zeide tot hen: `Voorwaar, ik zeg u, er is niemand die huis of vrouw of broeder of ouders of kinderen heeft prijsgegeven om het Koninkrijk Gods, of hij zal vele malen meer ontvangen in deze tijd en in de toekomende eeuw, het eeuwige leven.' (Lucas 18 vers 28-31). Nog duidelijker zegt hij het in Mattheüs 16 vers 27: `Want de Zoon des mensen zal komen in de heerlijkheid zijns Vaders, met zijn engelen, en dan zal Hij een ieder vergelden naar zijn daden.'

Een ieder vergelden naar zijn daden. Had in mijn jeugd ook maar enige dominee het lef gehad om dat vanaf de kansel te verkondigen, hij zou onmiddellijk geschorst zijn.

Ik herinner me nog goed dat ik als kind telkens weer vol verbazing Mattheüs 25 las. In het eerste deel daarvan is sprake van de vijf dwaze en vijf wijze maagden. De dwazen nemen geen, de wijzen nemen wel olie voor hun lampen mee als ze de bruidegom tegemoet gaan. Ook daar zinspeelt Jezus er nergens op dat die dwaze maagden zo onverstandig handelen omdat zulks door God is voorbeschikt. Over de wijze maagden wordt evenmin gezegd dat ze zich dankzij Gods' genadige verkiezing van lampolie voorzien. Welnee, ze zijn zelf zo verstandig om die olie mee te nemen. (Nou ja, verstandig, stel dat die bruidegom foeilelijk is, dan ben je toch beter af als je de lampolie hebt thuisgelaten. Misschien waren die dwaze maagden zo dom nog niet).

Na het verhaal over de wijze en dwaze maagden volgt in Mattheüs 25 de gelijkenis der talenten. Ook daaruit valt niet op te maken dat Jezus die bizarre calvinistische predestinatieleer aanhing. Integendeel: de gelijkenis vooronderstelt zelfwerkzaamheid. Heb je vijf talenten, dan werk je je uit de naad om er vijf bij te verdienen. Ga kordaat aan de slag, hoe getalenteerd je ook bent, is de moraal van deze gelijkenis.

En na die gelijkenis volgt de definitieve genadeslag voor de uitverkiezingsleer. Jezus spreekt over de scheiding tussen de schapen en de bokken. Hoe zal mettertijd die scheiding plaatsvinden? Zal God, net als Mengele te Auschwitz, in soevereine willekeur handelend, met een duimbeweging de verworpenen ter ener zijde en de uitverkorenen ter andere zijde dirigeren? Geen sprake van. Om duidelijk te maken waarom de schapen gekozen zijn zegt God: `Ik heb honger geleden en gij hebt mij te eten gegeven, Ik heb dorst geleden en gij hebt mij te drinken gegeven. Ik ben een vreemdeling geweest en gij hebt mij gehuisvest, naakt en gij hebt mij gekleed, ziek en gij hebt mij bezocht; ik ben in de gevangenis geweest en gij zijt tot mij gekomen.' En dan staat er: `Dan zullen de rechtvaardigen hem antwoorden, zeggende, Here, wanneer hebben wij u hongerig gezien en hebben wij u gevoed, of dorstig en hebben wij u te drinken gegeven, enz?' Waarop de Here zegt: `Voorwaar, ik zeg u, in zoverre gij dit aan één van deze mijn minste broeders hebt gedaan, hebt gij het mij gedaan.'

Hoe is het, gelet op deze even humane als duidelijke boodschap, toch mogelijk dat deze aantrekkelijke gedachtegang volledig door de predestinatiegruwel overstemd werd? Hebben de calvinisten Mattheüs 25 dan altijd overgeslagen? Daarin staat zo zonneklaar dat degeen die zelfs de minste broeders spijst, drenkt, bezoekt en verzorgt mettertijd bij de grote scheiding tussen de schapen en bokken aan de goede kant van de streep terecht zal komen, dat bijna niet te begrijpen valt dat desondanks zo'n huiveringwekkende predestinatieleer de geesten eeuwenlang heeft kunnen vergiftigen. In Mattheüs 10 vers 42 lezen we: `En wie een van deze kleinen, omdat hij een discipel is, ook maar een beker koud water te drinken geeft, voorwaar ik zeg u, zijn loon zal hem geenszins ontgaan.' Eerlijk gezegd vind ik het een beetje benepen van Jezus om als er sprake is van goede daden altijd met de belofte van loon te komen aandragen (waarom zou een mens niet belangeloos goed doen?), maar zoveel is zeker, hij verlangt primair goede daden. In Mattheüs 13 vers 41 zegt hij dat degenen die ongerechtigheden bedrijven `in de vurige oven' geworpen zullen worden.

Als kind heb ik al die teksten gelezen. Drommels goed heb ik beseft dat geen van die pericopen strookte met een van voor de grondlegging der wereld voorbeschikte uitverkiezing respectievelijk verwerping. Toch heeft het minstens tien jaar geduurd voor ik mijn stem durfde te verheffen. Op catechisatie vroeg ik hoe de tekst `hij zal een ieder vergelden naar zijn daden' te rijmen viel met de `rechtvaardiging door het geloof alleen'. Waarop dominee Dercksen kwaad opsprong en mij toebeet dat met het woord daad in die tekst `geloofsdaad' werd bedoeld. Door zo'n sluw woordenspelletje laat je je dan uit het veld slaan, je zegt niks terug, maar veertig jaar later ben je nog steeds zo woedend over dat sluwe antwoord dat je zo'n herder alsnog dolgraag aan stukken zou scheuren.

    • Maarten ’t Hart