Opening naar een soepel Europa

Tien jaar geleden sloegen Duitse burgers hun beitels in de Muur die het Westen decennialang van het Oosten had gescheiden. Het was het einde van de Koude Oorlog, in zekere zin zelfs van de twintigste eeuw. Michail Gorbatsjov zag het destijds allemaal aankomen, schrijft hij nu. Maar ook hij werd overrompeld door de geschiedenis.

Michail Gorbatsjov heeft veel uit te leggen. Europa en de wereldpolitiek ondergingen door zijn toedoen een complete gedaanteverwisseling, maar deze metamorfose voltrok zich allerminst volgens zijn programma. De val van de Berlijnse Muur, op 9 november 1989, markeerde een fatale crisis van het communistische systeem en de afbraak van het Sovjetimperium. Die onvoorziene gevolgen van zijn perestroika kwamen Gorbatsjov in eigen kring op verwijten te staan die nog aan scherpte wonnen toen met zijn instemming de oude vijand Duitsland weer een machtige eenheidsstaat in het hart van Europa werd.

Sinds de val van de Muur is er al veel over deze mega-gebeurtenis en haar gevolgen gepubliceerd, zoals de herinneringen van vrijwel alle politieke hoofdrolspelers. Het feit dat het allemaal tien jaar geleden plaatsvond, is aanleiding voor een nieuwe reeks publikaties. Van oud-communistische zijde verscheen onder de titel Herbst '89 (Neues Leben) een terugblik vol zelfbeklag van Egon Krenz, DDR-partijsecretaris op het moment dat de Muur viel. Interessanter is Wie es war, de bespiegelingen van ex-Sovjetleider Gorbatsjov, die al eerder in zijn Erinnerungen (1995) een hoofdstuk aan de Duitse eenwording wijdde. De rol van Bondskanselier Kohl in de hereniging is eerder dit jaar uitvoerig geboekstaafd in de bronnenuitgave Deutsche Einheit. Sonderedition aus den Akten des Bundeskanzleramtes (Oldenbourg). Werner Weidenfeld heeft veel profijt gehad van deze documentenverzameling bij het schrijven van Aussenpolitik für die deutsche Einheit, het tot nu toe meest complete overzicht van de internationale verwikkelingen die na de val van de Muur de Duitse eenwording mogelijk maakten.

Die eenwording was ook een belangrijke stimulans voor de Europese integratie waarin Frankrijk en Duitsland in onderlinge samenspraak een hoofdrol opeisten. Oskar Lafontaine rekende in Das Herz schlägt links (Boeken, 22 oktober) af met partijgenoot en kanselier Schröder, maar besteedde ook aandacht aan het belang van de Frans-Duitse band voor de Europese samenwerking van de afgelopen tien jaar. Van de recente publikaties over dit onderwerp trekt vooral Défendre l'Europe van Bertrand Montferrand de aandacht door de openhartigheid waarmee deze auteur de Franse visie weergeeft op het nut van de samenwerking tussen Berlijn en Parijs.

In Wie es war verweert Gorbatsjov zich tegen de kritiek uit eigen kring op zijn optreden van tien jaar geleden, maar het valt te betwijfelen of hij voor dit boek bij zijn oude strijdmakkers veel waardering zal oogsten.

Alleen al door zijn taalgebruik wekt hij de indruk verantwoordelijkheid te willen afschuiven. Voortdurend beklemtoont hij dat aan het einde van de jaren tachtig en het begin van de jaren negentig de gebeurtenissen gestuurd werden door `de geschiedenis die ons allen meesleepte'. Dit noodlot blijkt bij nader inzien echter te bestaan uit ontwikkelingen die door hemzelf op gang zijn gebracht maar vervolgens niet meer door hem beheerst konden worden.

Toen Gorbatsjov in maart 1985 na zijn benoeming tot partijsecretaris de machtigste man van de Sovjet-Unie werd, verkeerde de communistische supermogendheid in grote problemen. De economische groei stagneerde al geruime tijd, de grensstaten Polen en Afghanistan dreigden aan de greep van het Moskouse machtscentrum te ontsnappen en de Amerikaanse President Reagan confronteerde zijn tegenstander met een nieuwe wapenwedloop (`Star Wars'). Na enkele jaren van aarzeling besloot Gorbatsjov tot een nieuwe koers van toenadering tot het Westen en van binnenlandse hervormingen die het communistische stelsel slagvaardiger moesten maken. De opheffing van de Brezjnev-doctrine, waaraan de Sovjet-Unie het recht had ontleend in Oost-Europa de machtspositie van de communistische partijen met militair geweld te handhaven, ging gepaard met de introductie van vrijheden (glasnost) die tot dan toe in elke communistische staat systematisch waren onderdrukt.

DDR-leider Honecker liet weten niets in deze initiatieven te zien. Hij kreeg van Gorbatsjov te horen: `Wie te laat komt, wordt gestraft door het leven'. Maar de Oostduitse leider begreep beter dan zijn Moskouse voorman dat diens vrijheidslievende nieuwigheden geen weldadige maar een funeste uitwerking zouden hebben op een systeem dat altijd op terreur en onderdrukking had gesteund. Toen Honecker in oktober 1989 onder druk van een volksoproer moest aftreden, werd hij niet gestraft door `het leven' of `de geschiedenis', maar overweldigd door de gevolgen van een anti-communistische vrijheidsdrang die Gorbatsjov tot zijn eigen verbazing had losgemaakt.

e val van de Muur was het hoogtepunt in een reeks verrassingen die binnen een jaar zouden leiden tot opheffing van de DDR en tot de Duitse eenwording. Wie es war bestaat vooral uit een vergeefse poging de indruk te vestigen dat Gorbatsjov destijds heeft geweten wat hij aanrichtte. Hij beweert zelfs dat hij de val van de Muur heeft zien aankomen. Kennelijk heeft hij verdrongen hoe het hem in die dagen werkelijk verging en is hij vergeten wat hij daarover nog maar vier jaar geleden in zijn Erinnerungen schreef: `Ik zou liegen als ik beweerde dat ik de ontwikkelingen had voorzien' en `We waren met blindheid geslagen'.

Was er toen geen enkele mogelijkheid om `de geschiedenis' weer in de hand te krijgen? Het instrumentarium was voorhanden: in de DDR waren meer dan 350.000 man Sovjettroepen gelegerd. Sinds Rafael Biermann vorig jaar zijn Zwischen Kreml und Kanzleramt publiceerde (besproken in Boeken, 6 maart 1998), is bekend dat Gorbatsjov door een deel van de partijtop onder zware druk werd gezet om de opening van de Muur met militair geweld ongedaan te maken. In Wie war es zinspeelt hij op die pressie, uitgeoefend door `enige invloedrijke vertegenwoordigers van bepaalde kringen in de Sovjet-Unie en de DDR'. Hij besefte echter heel goed dat een militaire interventie het einde zou betekenen van de hervormingspolitiek waarmee hij een stempel op de ontwikkelingen wilde drukken. Daarom ook beroept hij zich in zijn rechtvaardiging achteraf voortdurend op `de geschiedenis'. Als hij de zaken niet op hun onvoorziene beloop had gelaten, dan had hij de verantwoordelijkheid voor het falen van zijn poging het communisme te hervormen niet op `de geschiedenis' kunnen afschuiven. Met een gewelddadige ingreep was hij direct en zichtbaar verantwoordelijk geworden voor die mislukking.

Op 9 november 1989 was nog onduidelijk welke gevolgen de val van de Muur zou hebben. Werner Weidenfeld schrijft in Aussenpolitik für die deutsche Einheit dat Gorbatsjov al een jaar eerder in een gesprek met Helmut Kohl de Bondskanselier bezwoor dat de perestroika in Duitsland nooit zou kunnen leiden tot een `versmelting der systemen'. Dat standpunt bewijst eens te meer dat de vrijheid die hij ook de DDR toewenste in zijn ogen niet de machtspositie van de communistische partij hoefde te ondermijnen. Een dag na de val van de Muur gaf hij Kohl nog eens telefonisch te verstaan dat de twee Duitse staten intact dienden te blijven. De Bondskanselier merkte toen al voorzichtig op dat de burgers van de DDR nu een grote stem zouden krijgen in het verloop van de ontwikkelingen. Ook hij kon niet voorzien dat de Oostduitse bevolking binnen een maand duidelijk zou maken (`Wir sind ein Volk') een snelle eenwording te wens

Had Gorbatsjov nog andere mogelijkheden dan een gewapende interventie om die ongewenste gang van zaken tegen te houden? Zijn diplomatieke speelruimte was heel klein, vooral omdat de Amerikaanse president Bush en diens minister van buitenlandse zaken Baker de eenwording onmiddellijk hadden begroet als een welkom perspectief. De houding van Washington werd gesymboliseerd door een incident dat zich op 9 november voltrok. Kohl, op dat moment op bezoek in Warschau, wilde zo snel mogelijk naar Berlijn maar volgens de geldende internationale afspraken mochten vliegtuigen van de Bondsrepubliek niet over het grondgebied van de DDR vliegen. Alleen de vier geallieerde bezettingsmogendheden (de Sovjet-Unie, Groot-Brittannië, Frankrijk en de Verenigde Staten) hadden dat recht. Onmiddellijk boden de Amerikanen de Bondskanselier aan hem met een militair toestel op te halen en naar Berlijn te brengen.

President Bush liet zijn medewerkers weten `niet op de Muur te willen gaan dansen'. Bezonnenheid was zijn devies, maar hij had al eerder en bij herhaling verklaard dat de Duitsers zelf zouden moeten kunnen beslissen over opheffing van de deling. Al op 11 november, twee dagen na de val van de Muur, maakte minister Baker zijn ambtgenoot Genscher duidelijk dat de Verenigde Staten, als enige van de vier bezettingsmogendheden, een concept hadden voor de toekomstige ontwikkeling van Duitsland. De Duitsers hadden volgens de Amerikanen recht op zelfbeschikking, zij het niet onbeperkt: na een hereniging zou de Duitse natie lid moeten blijven van de NAVO.

Gorbatsjov verschaft in Wie es war een boeiend inzicht in de motieven achter dit Amerikaanse standpunt door het stenografisch verslag van een gesprek met Baker af te drukken. De Bondsrepubliek, aldus de Amerikaanse minister in dat onderhoud, had gedurende veertig jaar als vredelievende democratie bewezen een betrouwbare natie te zijn. Die staat van dienst gaf de Duitsers volgens hem recht op zelfbeschikking. Gorbatsjov reageerde met de snedige vraag waarom dit betrouwbare Duitsland na de eenwording lid diende te blijven van een NAVO die de Amerikanen kennelijk de duurzame mogelijkheid moest verschaffen toezicht te houden op de Duitse natie. Baker gaf toe dat het Amerikaanse vertrouwen aan grenzen gebonden was. Washington wilde een middel in handen blijven houden om te voorkomen dat `het verleden zich zou herhalen'.

Kohl had met de Amerikaanse voorwaarde geen enkele moeite, integendeel. Hij wilde de band met het Westen ook na de eenwording vasthouden en als het kon verstevigen. Terwijl de Bondskanselier en de Amerikaanse president zij aan zij optrokken in hun voornemen de verlangens van de DDR-bevolking te honoreren, kreeg Gorbatsjov voor zijn protesten tegen een snelle eenwording alleen achter de schermen steun van de Franse President Mitterrand. Deze politicus liet blijken het stellen van daden aan Moskou over te willen laten. De Franse regering keek met argwaan naar het perspectief van de Duitse hereniging, maar een openlijke afwijzing zou de Europese integratie in gevaar brengen die voor Parijs het enige middel bleef om greep op de Bondsrepubliek te houden. In februari 1990 stemde Gorbatsjov in met de Duitse eenwording en vier maanden later legde hij zich neer bij een voortzetting van het Duitse NAVO-lidmaatschap.

e eenwording van Duitsland voltrok zich niet alleen binnen het Atlantische kader maar stimuleerde bovendien de Europese integratie. Mitterrand stemde met tegenzin en vertraging in met de hereniging, nadat Kohl als tegenprestatie de versnelde invoering van een monetaire unie had geaccepteerd. Het verlies van de D-Mark werd door hem aanvaard op voorwaarde dat Frankrijk akkoord zou gaan met een verdieping van de politieke integratie die de Brusselse instanties meer bevoegdheden zou geven, vooral in de buitenlandse en veiligheidspolitiek. De Fransen, die defensie en veiligheid traditioneel als de kern van hun soevereiniteit beschouwen, probeerden de inhoud van deze concessie zo veel mogelijk uit te kleden. Pas na een maand van harde onderhandelingen werd in het voorjaar van 1990 een principe-akkoord bereikt over de oprichting van zowel een monetaire als een politieke unie. Volgens Weidenfeld was de ergernis bij Kohl over het gedrag van de Fransen inmiddels zo hoog opgelopen dat een breuk met Mitterrand ternauwernood vermeden kon worden.

Tien jaar na de val van de Muur blijken de resultaten van de integratieplannen in hoge mate overeen te stemmen met de Franse wensen. Met de gedeeltelijke invoering van de Euro op 1 januari 1999 is de monetaire unie althans gedeeltelijk een feit geworden. Maar van een gemeenschappelijke buitenlandse en veiligheidspolitiek zijn zelfs nog niet de vaagste contouren zichtbaar. Bernard de Montferrand, ambassadeur van Frankrijk in Nederland en oud-directeur van het Parijse Institut d'Études Politiques, waarschuwt in Défendre l'Europe dat Europa dreigt te bezwijken voor wat hij noemt de Zwitserse verleiding. De Europese Unie richt zich eenzijdig op welvaartsschepping en is niet in staat een vuist te maken om de veiligheid op het continent te waarborgen. Ook blijft de betrokkenheid van Europa bij de wereldpolitiek beperkt tot het afleggen van verklaringen en het verschaffen van kredieten.

eze door Montferrand met scherpte geformuleerde aanklacht tegen de Europese lijdzaamheid betekent geenszins dat hij voorstander is van de politieke integratie volgens het model-Kohl. Integendeel, de auteur verdedigt met verve het officiële Franse standpunt dat de soevereine staat vooral in de buitenlandse en veiligheidspolitiek een toonaangevende rol blijft toekomen. Op die basis moet een Europa van samenwerkende naties een grotere verantwoordelijkheid op zich nemen, in de eerste plaats binnen de NAVO maar ook buiten de Atlantische kaders, van het Midden-Oosten tot in Latijns-Amerika en van Afrika tot in Azië.

Deze taak vloeit volgens Montferrand in dubbel opzicht voort uit de `natuur der dingen'. De overheersende positie die de Verenigde Staten sinds het einde van de Koude Oorlog in de internationale politiek innemen vraagt volgens hem om een tegenwicht dat de stabiliteit alleen maar ten goede kan komen. Bovendien kan een meer geprononceerde positie in de wereldpolitiek Europa helpen een gemeenschappelijke Europese identiteit te ontwikkelen die het onmisbare cement is voor een effectieve samenwerking tussen nationale regeringen in de buitenlandse politiek.

Sinds de Verenigde Staten in de Kosovo-interventie meer dan tachtig procent van de militaire handelingen uitvoerden, is de druk op de Europese partners om een groter aandeel op zich te nemen in de bondgenootschappelijke taakverdeling toegenomen. Een grotere rol van Europa is meer dan gewenst, maar de essentiële vraag luidt of datgene wat nodig is ook mogelijk is. Montferrand wijst met kracht van argumenten op deze noodzaak, maar zijn betoog vestigt ongewild vooral de aandacht op de hindernissen die de ontwikkeling naar een Europese `defensie-identiteit' in de weg staan. Hij beseft dat zonder een hechte Frans-Duitse band deze taak niet vervuld kan worden. Maar hij ziet kennelijk niet in dat juist de ambitie om los te komen van de Verenigde Staten en zelfs positie tegenover Washington te kiezen een obstakel is voor de samenwerking tussen Berlijn en Parijs. Deze koers, die volgens de Franse plannen de Europeanen zou moeten verenigen, maakt de Duitsers kopschuw.

ontferrand fulmineert in zijn boek tegen de `liturgie van de Atlantische eenheid' en pleit voor een `concert' van Europese naties dat in kwesties van veiligheid opereert op basis van `souplesse et liberté'. Maar de Duitsers herinneren zich al te goed hoe deze vrijblijvendheid tijdens de oorlog in Bosnië meer dan drie jaar lang tot een verdeeldheid en passiviteit leidde die pas eindigde toen de Verenigde Staten in de zomer van 1995 ingrepen. Zoals ook in de kwestie-Kosovo vooral dankzij het Amerikaanse leiderschap een besluitvaardigheid mogelijk was waartoe Europa op eigen kracht niet in staat was geweest.

De argwaan van Duitsland over de Franse veiligheidsplannen wordt bovendien gevoed door de achterstand in vertrouwen die Parijs gedurende een langere periode bij de Duitsers heeft opgebouwd. De achterdocht en onwil waarmee Mitterrand tien jaar geleden het perspectief van de eenwording bejegende stond in schril contrast tot de houding van Bush. Gedurende de voorafgaande decennia waren het niet de Fransen maar de Amerikanen die Duitsland nucleaire bescherming boden. Frankrijk reserveerde zijn kernwapen nadrukkelijk voor een louter nationale taak.

Welke functie zou deze `force de frappe' kunnen krijgen in de Europese defensiesamenwerking die Montferrand bepleit? Hij herhaalt nog eens het sinds lange tijd onwrikbare Franse standpunt: Duitsland mag eventueel meepraten, maar de nucleaire beslissingsbevoegdheid blijft uitsluitend bij de Fransen berusten. Om de goedkeuring van Parijs voor de hereniging te krijgen, stemde Duitsland in met een monetaire unie die betekende dat het de D-Mark moest opgeven. Voorlopig schiet het Duitse vertrouwen in Frankrijk tekort om de Franse veiligheidsplannen te accepteren. Duitsland zou volgens Montferrand de Atlantische band op het spel moeten zetten, maar wat stellen de Fransen daar eigenlijk tegenover? Zolang Parijs geen soevereiniteit wil opgeven, hangen zijn voorstellen in de lucht. Tien jaar na de val van de Muur heeft Europa een monetaire unie, maar hoe lang houdt deze integratie stand bij een blijvende verdeeldheid in de veiligheidspolitiek?

Michail Gorbatschow: Wie es war. Die deutsche Wiedervereinigung. Ullstein, 222 blz. ƒ41,40

Werner Weidenfeld: Aussenpolitik für die deutsche Einheit. Die Entscheidungsjahre 1989/90. Deutsche Verlags-Anstalt, 952 blz. ƒ147,20

Bernard de Montferrand: Défendre l'Europe. La tentation suisse. Economica, 221 blz. ƒ79,50

    • Ronald Havenaar