Ontheemd en omstreden

Alsof het niet anders kan bij een omstreden auteur als Edward Said, brak er in augustus een stevige controverse uit over zijn autobiografie Out Of Place; A Memoir. Said, een van 's werelds meest welbespraakte pleitbezorgers van de Palestijnse zaak en auteur van controversiële boeken als Orientalism (1979) en Politics of Dispossession (1994), beschrijft in dit boek vooral zijn kindertijd en adolescentie. Voor mensen die hem kennen en redelijk thuis zijn in het Midden-Oosten, zijn de minutieuze, impressionistische schetsen van zijn familieleven, zijn innerlijke roerselen en de plaatsen waar hij opgroeide Cairo, Jeruzalem, Dhour al-Shweir in de Libanese bergen een genot om te lezen. Plotseling begrijpen zij waarom deze extreem correcte en beleefde man soms zo ongehoord fel uit de hoek kan komen. Waarom Said, hoogleraar Engelse en Vergelijkende Letterkunde aan de prestigieuze Columbia University in New York, toch opeens staat te stotteren en te beven als hij iets in het Arabisch moet zeggen. Of waarom hij ondanks zijn principiële bezwaren tegen het huidige vredesproces toch een bevriende Israelische pianist naar Ramallah haalt voor een concert.

Buitenstaanders zullen meer moeite hebben met de paginalange beschrijvingen van klasgenoten, van het upper class verpozen op de Gezira Club in Cairo, van zijn jarenlange preoccupatie met de on-Arabische naam Edward (uitgesproken als `Edwaad'), en van het onzekere jongetje dat nergens bijhoorde en zich permanent lichamelijk en geestelijk afgewezen voelde door zijn dominante vader, de geslaagde zakenman Wadie.

Voor de `kenners' is het boek een eloquente prelude op Saids latere leven als politiek activist in de Verenigde Staten, altijd op de bres voor Palestijnse vluchtelingen die in 1948 en 1967 door de Israeli's werden verjaagd. Maar de connectie tussen het ontheemde jongetje en het politieke dier Said Arafats meest uitgesproken criticus, fervent voorstander van één democratische, bi-nationale staat voor joden en Arabieren wordt nergens expliciet gelegd. Althans niet door Edward Said zelf.

Het werd vorige maand, via een omweg, voor hem gedaan door Justus Reid Weiner. Deze Amerikaanse Israeli publiceerde in het tijdschrift Commentary de uitkomst van drie jaar Said-onderzoek onder auspiciën van het `Jerusalem Center for Public Affairs', een conservatieve denktank in Jeruzalem. Weiner zag Said op de televisie interviews geven voor het familiehuis in Jeruzalem dat in 1948 door Israeli's in beslag zou zijn genomen, en bij de St. George's school waar hij naar eigen zeggen leerling was geweest. De Israeli wilde weten wat ervan waar was. Zijn conclusie: Edward Said is géén Palestijnse vluchteling – want hij was wel geboren in Jeruzalem, maar groeide op in een weelderig appartement in Cairo. Onderzoek in `vijf landen en vier continenten, en 85 interviews' hadden uitgewezen dat Saids vader nooit een huis bezat in West-Jeruzalem, dat hijzelf nooit de St. George's school had bezocht, dat zijn vader Amerikaans staatsburger was en zijn moeder geen Palestijnse, maar een Libanese. Bovendien heeft Edward Said zelf ook een Amerikaans paspoort. Kortom, schrijft Weiner: `Said heeft ons een hevig afwijkende versie van de waarheid opgedist, en moedigt anderen aan dat ook te doen, voor de ene helft totale misleiding en de andere helft kunstige verzinsels.'

Internet

Het artikel uit Commentary, een blad dat ooit naar Said verwees als `the professor of terror', trok wereldwijd de aandacht. In Israelische kranten werden Weiners bevindingen triomfantelijk besproken. Saids repliek in de Egyptische krant Al-Ahram, en door pro-Arabische groepen in Amerika verspreid via het Internet, kreeg minder aandacht. Hij zet daarin een aantal fouten van Weiner recht: zo was zijn moeder wel degelijk een Palestijnse (zij het met een Libanese moeder) en waren zijn vader en tante door het Arabische systeem van overerven co-eigenaars van het familiehuis, het oude huis van zijn grootvader, in Jeruzalem. Ook vindt hij het onjuist dat zijn goede afkomst wordt gebruikt om hem de status van vluchteling te ontzeggen alsof een vluchteling per se in een golfplaten hutje moet wonen. Maar wat hem nog het meest steekt is dat Weiner, die als joodse Amerikaan moeiteloos naar Israel kon migreren, Said en vele andere Palestijnen hetzelfde recht ontzegt. Dat is meten met twee maten, en bewijst voor Said dat `Israel (..) niet geïnteresseerd is in echte vrede'.

Deze stelling staat centraal in veel van Edward Saids geschriften van na de Oslo-vredesakkoorden (1993). Zolang Israel blijft weigeren om de rechten van Palestijnse vluchtelingen te erkennen, verzet hij zich tegen `Oslo' en alle deelakkoorden die daaruit zijn voortgekomen. Omdat Said PLO-leider Yasser Arafat beschuldigt van medeplichtigheid aan het elimineren van de Palestijnse zaak, als een corrupte burgemeester-in-oorlogstijd (hij is `de Pétain van Palestina'), mogen zijn zeventien boeken in de autonome Palestijnse gebieden niet meer verkocht worden. Veel Palestijnen beginnen Said de laatste jaren te verwijten dat hij vanuit het buitenland gemakkelijk praten heeft, als een stuurman op het droge. Ook vinden zij Saids aanvallen op Arafat schadelijk voor de `Palestijnse eenheid' vooral omdat de intelligentsia in Gaza en de Westelijke Jordaanoever de Columbia-professor in die aanvallen steunt.

In het licht van de beschuldigingen van Weiner en Saids radicale stellingname in het vredesproces is Out Of Place een verbazend mild boek. Arafat wordt niet genoemd, het gaat nauwelijks in op het vredesproces. Het is enkel een portret van Said zelf, en dan uitsluitend in de `vormende jaren': vanaf zijn geboorte totaan 1958, toen hij aan Harvard ging studeren en zijn politieke bewustzijn ontwaakte. De rode draad in het boek is de onthechting. De jonge `Edwaad' (hij werd vernoemd naar de Prins van Wales) hoorde nooit ergens bij. In Cairo wilde zijn vader, die westerse kantoorartikelen en boeken importeerde, weinig met de Palestijnen te maken hebben en zijn moeder had meer vrienden onder de Shawami (Libanezen en Syriers) dan onder Egyptenaren. Later, toen Egypte onder Nasser steeds nationalistischer werd, werden de Saids enkel nog gezien als Khawagat: `buitenlanders'. Said beschrijft een familiefoto en merkt op: `Die benadrukt wat voor kunstmatige creatie wij waren, een familie die haar best deed om een pseudo-Europees groepje te vormen, in een puur-Egyptische, Arabische omgeving waar je alleen iets van merkte als er een kameel in de buurt was, of een tuinman of bediende...'

De jonge Said zat op Britse en Amerikaanse elitescholen met blonde expat-kinderen die gekleurde sokken of T-shirts droegen. Arabisch spreken was taboe, Arabisch-zijn maakte hem tot mikpunt van spot. Aangezien hij ook niet het brave jongetje was dat zijn ouders zo graag zagen, vluchtte hij in muziek en boeken (hij is een begenadigd pianist). De zomer van 1947, vlak voor de stichting van de staat Israel, bracht het gezin door in Jeruzalem, waar het wemelde van de Britse soldaten en checkpoints, en hij tot november met zijn neven en nichten naar school ging: `Voor de eerste en laatste keer in mijn scholierenbestaan werd ik omringd door jongens zoals ik'.

Engagement

Toen de ooms en tantes Israel in 1948 verlieten – gevlucht of verjaagd, dat doet er volgens hem niet toe: `Ze waren niet welkom meer, punt uit' – kwamen sommigen in Cairo terecht. Vader Said hielp hen aan werk, maar verder ging het engagement niet. `Het leek alsof we Palestina allen hadden opgegeven als een plek waar we ooit naar terug zouden keren, zelden vermeld, in stilte en pathetisch gemist.' Edwards moeder, wier Palestijnse paspoort waardeloos was geworden, zou de rest van haar leven bij douanes worden opgehouden of teruggestuurd. Ze zweeg erover: het was een `schande'. Alleen zijn tante Nabiha deed wat ze kon voor de vluchtelingen. Zij was het die hem de eerste glimp gaf van de omvang van wat Palestijnen de Nakba noemen, `de catastrofe van 1948'. Omdat vakanties in Palestina onmogelijk waren geworden, brachten ze die voortaan door in het Libanese stadje Dhour, elk jaar in hetzelfde huis. Dat was de volgende elitaire cocon, al evenzeer bestand tegen de seismische politieke schokken die door de Arabische wereld gingen: dat moslim- en christelijke facties elkaar steeds meer naar het leven stonden, merkten de Saids pas toen zijn vader Wadie in 1971 stierf. Dhour weigerde hem, Anglicaanse christen, te begraven. `Ons geïdealiseerde pastorale bestaan had geen status in het collectieve geheugen van de stad.'

Edward Saids latere activisme gaat terug op dit soort ervaringen: hij kan het zijn klasse moeilijk vergeven dat zij zweeg over politieke, religieuze en sociale vernederingen. Hun hang naar `westers' leven, de halfvergane koloniale omgeving in een door en door Arabische samenleving, was daar debet aan. Maar zelf was hij toch ook het kind van zijn ouders: hij kon zijn diagnose pas stellen toen hij eenmaal in het Westen was.

Pas toen hij in 1958 naar Amerika ging om te studeren, `begon de oude Edward af te sterven'. Oftewel: hij durfde meer Arabisch te zijn, en begaan te raken met Arabische zaken. De oorlog van 1967 was de definitieve doorbraak. Zijn engagement had een prijs. Hij mocht vijftien jaar lang Egypte niet meer in. `Niets tekent mijn leven meer dan verbanning uit landen, steden, talen, milieus, die mij al die jaren in beweging heeft gehouden', schrijft Said. Ontheemd zijn hij zoekt het, en hij haat het. Voor Said is het, net als voor zovele andere Palestijnse vluchtelingen, zowel gif als tegengif geworden.

Edward Said: Out Of Place; A Memoir. Alfred A. Knopf, 352 blz. ƒ65,55

    • Caroline de Gruyter