`Omdat een loopjongen het des ochtends komt halen'

Volgende week verschijnt de biografie van Simon Carmiggelt, geschreven door NRC Handelsblad-medewerker Henk van Gelder. Hieronder een voorpublicatie uit het boek over de man die als `Kronkel' 's lands meest bewonderde schrijver werd.

`Eén ding staat wel vast, geloof ik', schreef Simon Carmiggelt op zaterdag 12 januari 1957 in zijn Kronkel in Het Parool, `de geheelonthouders hebben gelijk, maar alleen de drinkers weten waaròm.' Hij kwam tot deze aforistische conclusie nadat een abonnee hem, naar aanleiding van een stukje over een mijmerzieke kastelein, een brochure over geheelonthouding had gestuurd. En de formulering beviel hem zozeer dat hij haar op dinsdag 21 mei van dat jaar nog eens dunnetjes overdeed, in een stukje over een rijksdaalder die hij aan een collecte van de geheelonthouders had gegeven. Een aardige organisatie, schreef hij, die men node in het stadsbeeld zou missen. `Daarenboven vullen we elkaar zo mooi aan: zij hebben gelijk en ik weet waarom.'

Soms legde hij zich met uiterste krachtsinspanning een weekje droog, omdat de dagelijkse plichten hem anders boven het hoofd dreigden te groeien. Maar meestentijds bleef hij het prototype van de gulzige innemer, die zijn eerste glaasjes dronk om in een stemming van giechelig vertier te geraken, en bij de laatste in steeds dieper gepeins verzonk. Of in opstandigheid. Zo herinnert Jetty Paerl zich een bezoek aan de Weteringstraat met haar man, de tekenaar Cees Bantzinger. Ver na middernacht liepen ze eindelijk de deur uit, naar hun auto. Simon kwam hen achterna, zeggend dat hij nog even moest praten. `Ik draaide het raampje open, waarop Simon met een dikke tong tegen me zei: ik wil niet met 'r naar bed, maar ik mot, want zij wil 't... maar ik wil niet.' Te vermoeden valt dat hij de rest van die nacht weer in zijn werkkamer heeft doorgebracht, met June Christie, Sarah Vaughan en de spoken uit het verleden.

Een kwaaie dronk had hij voornamelijk binnenshuis. Daarbuiten stond Simon Carmiggelt in brede kring bekend als een vrolijke drinkebroer over wie legio alcoholisch besprenkelde verhalen de ronde doen. Zo kwam hij eens samen met de fotograaf Hein Vroege, eveneens een bekwaam innemer, het café 't Swarte Schaep aan het Leidseplein binnen, waar aan een lange tafel een groep leden van de katholieke studentenvereniging Thomas zat. Het tweetal nam plaats in hun midden en besloot, zonder enig onderling overleg, de wijnkenner uit te hangen. Simon vroeg de wijnkaart en bestelde een dure Châteauneuf-du-Pape. Onder het afwachtend oog van de ober namen ze elk een zuinig slokje uit de ontkurkte fles en leverden quasi-vinologisch commentaar op neus en afdronk. `We hadden niets afgesproken', aldus Vroege, `met dodelijke ernst schoof Simon de twee glazen opzij, pakte de fles en goot de inhoud kledderdekledder op tafel. Waarop wij met z'n tweeën spontaan op het doorweekte tafellaken begonnen te slaan en het lied Op socialisten, sluit de rijen begonnen te zingen. Verschrikt deinsden die gasten van het dispuut in hun blauwe blazers achteruit.Wij rekenden af en beenden statig het etablissement uit. De ober knikte alleen maar, die vond het geloof ik wel grappig.'

Volgens de fotograaf verscherpte de drank het waarnemingsvermogen van Simon Carmiggelt. Met een slok op kon hij in één oogopslag een situatie doorzien, aldus Vroege. Op een dag schoof Carmiggelt aan bij een etentje dat de fotograaf te zijnen huize had aangericht voor de bevriende directeur van een reclamebureau en 's mans vrouw en secretaresse. In genoeglijke sfeer werd daar haas-in-het-groen genuttigd, tot Simon zijn glas neerzette, indringend naar de reclameman keek en zich vervolgens tot diens echtgenote richtte met de woorden: `Mevrouw, weet u wel dat uw man zich blind neukt met zijn secretaresse?' Doodse stilte was het gevolg van deze opmerking. Vroege: `Hij had hartstikke gelijk, maar die beste mevrouw wist van niks.'

Als de drank de voorgaande avond en nacht te hard had toegeslagen, lag voor Simon Carmiggelt ook over de daaropvolgende dag een sluier van mist. Het kwam weleens voor, vertelt Mariette Ramaker, dat Tiny in zo'n geval de laatste hand moest leggen aan de Kronkel van die dag. `Met één of twee zinnetjes draaide ze er dan een eind aan, omdat Simon daar die dag te dronken voor was.'

Tiny hield hem onder alle omstandigheden beschermend de hand boven het hoofd. Ze gaf hem enerzijds de vrijheid om thuis te komen wanneer hem dat beliefde, maar wist ook altijd waar ze hem zou kunnen vinden als ze meende dat hij thuis moest zijn. Regelmatig belde hij haar ook op uit een café, waar hij te veel rondjes had gegeven om te kunnen afrekenen. Dan nam ze een taxi, betaalde de kastelein en trok Simon mee naar huis.

`Tiny en Mariette waren twee sterke vrouwen die hun mannen volledig in de greep hadden', zegt Mance Post. `Veel andere vrouwen kwamen hun om advies vragen: zoals die twee met hun mannen omgingen, zo wilden zij dat óók. Tiny kon ook heel goed koken - tong in witte-wijnsaus was haar specialiteit - en menigeen heeft bij haar in de keuken, zittend op een vuilnisemmer, z'n hart uitgestort. Ze was een wijze vrouw, die snel een situatie kon doorzien en dan meestal heel goed raad wist.'

`Tiny was een geweldige gastvrouw', vult Mariette Ramaker aan. `Ze had alle kookboeken van de hele wereld. Zelf hield ze trouwens ook wel van een glas, maar op een keer zei ze dat we maar een of twee sherry'tjes mochten drinken, omdat we heel goed moesten kunnen proeven wat ze had gekookt. Even later kwam de soep op tafel, en prompt werden we allemaal stomlazarus. Ze had er gewoon veel te veel sherry ingegooid.'

Ze weet echter ook een voorbeeld van de buitengewoon praktische wijze waarop Tiny de huiselijke problemen te lijf kon gaan. Als was afgesproken dat de moeder van Simon een paar dagen zou komen logeren, en Simon op dat moment in een ongeneeslijke staat van dronkenschap verkeerde, belde Tiny haar schoonmoeder op met de boodschap dat het bezoek niet kon doorgaan. `Simon voelt zich op het ogenblik niet zo lekker', zei ze dan.

Niettemin slaagde Simon Carmiggelt er de meeste dagen wonderwel in zijn taken te vervullen. 's Morgens kwam hij moeilijk uit zijn bed, maar doorgaans lukte het hem om een uur of halfelf te ontwaken. Na het ontbijt, dat Tiny hem gewoonlijk op bed bracht, peilde hij bij zichzelf de stemming van die dag en liep de straat op. Hij keek om zich heen, mompelde binnensmonds een paar zinsneden die hem wellicht van pas zouden kunnen komen, ging bij goed weer ergens op een bankje zitten, dacht nog wat verder na en belandde tegen het middaguur in een koffiehuis of café. Tot zijn vaste pleisterplaatsen behoorden de Continental Bodega, Hoppe, Ogni Beni en Oosterling. Hij zag daar de vaste jongens, wier verhalen soms stof tot schrijven opleverden, of liep er een vriend of kennis tegen het lijf. Onophoudelijk stonden zijn oren open. `Als je met Simon in een kroeg zat', zegt Jetty Paerl, `kon hij je opeens midden in een verhaal vragen om even te wachten. Dan haalde hij een armoedig schoolschriftje te voorschijn en schreef iets op. Terwijl jij hem iets had zitten vertellen, had hij met een half oor aan een ander tafeltje iets opgevangen dat hij misschien kon gebruiken.'

In de loop van de middag kwam hij thuis, bladerde nog wat door eerdere notities en begon in een dictaatcahier aan zijn stukje te schrijven. Als het vervolgens was uitgetypt, deponeerde hij het in een klein groen busje aan zijn voorgevel, waar een koerier van Het Parool het 's morgens om zeven uur uit haalde en meenam. Slechts een bevoorrecht groepje redacteuren had van de krant zo'n busje gekregen; van de rest werd verwacht dat ze hun stukken gewoon op de redactie schreven of op zijn minst de thuis getikte kopij eigenhandig kwamen bezorgen. Toen hem eens werd gevraagd waarom hij eigenlijk schreef – de standaardvraag voor schrijvers – antwoordde Carmiggelt met de logica van de ware krantenman: `Omdat een loopjongen het des ochtends komt halen'.

En ook als het niet lukte, schreef hij een stukje. Dan begon hij bijvoorbeeld maar wat te keuvelen over een nieuwe langspeelplaat van Ella Fitzgerald en Louis Armstrong, om halverwege met een handig zinnetje (`van Ella even naar Ellen') over te stappen op een door Ellen Vogel gewonnen lezersenquête van De Telegraaf over de beste tv-prestaties van de afgelopen maand. Of hij nam zijn toevlucht tot een bundeltje met verhalen over beroemde misdrijven, of een bericht in de krant waarbij met enige moeite nog wel wat komisch commentaar te verzinnen viel. Pas als hij het helemaal niet meer wist, zoals in de Kronkel van maandag 21 oktober 1957, kwam hij eerlijk voor zijn onmacht uit: `Op deze door liefelijk herfstweder begunstigde zondagmiddag, die gereed ligt voor een mijmerziek wandelingetje, heb ik niet de geringste lust om een vrolijk stukje te schrijven. Wat nu gedaan?' De rest bestond uit uitspraken van bekende figuren die een lezer hem had toegestuurd.

Opmerkelijk genoeg maakte Simon Carmiggelt nergens in zijn Kronkels van 1957 melding van de eervolle tournee die hij dat jaar maakte met Willem Elsschot. Hij bewonderde de Vlaamse schrijver sinds diens gedicht Het huwelijk hem in 1936 als jongeman diep had getroffen. `Vreemd eigenlijk', schreef hij later. `Want de schok der herkenning kon toch niet op ervaring berusten bij mij - een nog ongetrouwde, vrolijke jongen van drieëntwintig jaar. Curieus was, in dit licht gezien, ook het feit dat de dichter, toen hij Het huwelijk schreef, pas achtentwintig was. Men moet als dichter blijkbaar jong zijn om zó genadeloos toe te slaan, nog niet mild geworden door de `weemoedigheid die niemand kan verklaren', maar die later in het leven de scherpe pen wat in toom houdt.'

Kort na de oorlog, in maart 1948, was Simon Carmiggelt met een wederzijdse relatie voor het eerst bij Elsschot op bezoek geweest in diens huis in de Lemméstraat in Antwerpen. Ruim drie maanden later deed hij daarvan, in een met S.C. ondertekend artikeltje, verslag in Het Parool. Het is een van eerbied vervuld interviewtje met `iemand die zonder enige twijfel de grootste in onze taal schrijvende prozaïst van het ogenblik is'.

Bij deze eerste gelegenheid schonk hij de schrijver een exemplaar van zijn pasverschenen bundel Honderd dwaasheden. Elsschot blijkt die aandachtig te hebben gelezen, want in zijn vriendelijke bedankbrief (`waarde heer en vriend') somde hij de woorden op die hem het meest hadden geamuseerd, compleet met de paginacijfers. Tussen beiden groeide een kameraadschappelijk contact. [...] De vriendschappelijke gevoelens die Elsschot jegens Carmiggelt koesterde, leidden in 1957 tot een complimenteus verzoek. Ter gelegenheid van de uitgave van zijn Verzameld Werk was Elsschot bereid naar Nederland te komen voor een aantal lezingen. Op die avonden zou hij na de pauze ongeveer een half uur voorlezen uit eigen werk. Voor het gedeelte voor de pauze werd Simon Carmiggelt gevraagd een inleiding van een uur te houden. Hij nam de opdracht zeer serieus, al was het maar vanwege het nerveuze besef dat de schrijver zelf zich telkens onder zijn gehoor zou bevinden. Uit de briefwisseling tussen Jan Greshoff en Willem Elsschot, in het Letterkundig Museum, koos hij citaten die een onbekend licht zouden werpen op Elsschots werkwijze, en vroeg beide betrokkenen of hij daarvan gebruik mocht maken. Na hun toestemming te hebben verkregen, schreef hij zijn lezing.

De eerste avond vond op 24 april 1957 plaats in de grote zaal van De Bijenkorf in Rotterdam. `Zelden in mijn leven heb ik zoveel plankenkoorts gehad als bij het naderen van deze première', schreef Carmiggelt later. `Hoe het publiek mijn lezing beoordelen zou, hield mij minder intens bezig dan de vraag wat Elsschot zelf ervan vond.' Achteraf bleek hij het ijs te hebben gebroken door een incident met een persfotograaf, die hem tijdens de eerste zinnen van zijn inleiding uitvoerig en uit alle standen begon te fotograferen. Carmiggelt raakte daardoor extra gespannen, want hij wilde zijn persoonlijke ontdekking van Elsschots werk illustreren door Het huwelijk voor te lezen. Toen hij zover was, keek hij op uit zijn tekst en richtte zich in zijn zenuwen tot de fotograaf met de woorden: `Meneer, wilt u alstublieft ophouden, want wat ik nu ga voorlezen is niet van mijzelf, dus dat mag ik niet verpesten.' Op dat moment klonk uit de zaal één korte, droge lach. Het was Elsschot zelf, die als geen ander de onbedoelde ironie van deze opmerking kon waarderen.

Na de geslaagde start bracht de tournee hen verder naar Den Haag, Utrecht en het Vondelpark Paviljoen in Amsterdam. Carmiggelts lezing werd op 7 oktober 1957 in het Algemeen Handelsblad, in een verslagje over die laatste bijeenkomst, omschreven als `een zachtmoedige, maar niettemin scherp-omlijnende karakteristiek die door de aanwezigen, en de eregast in het bijzonder, met grote aandacht werd aangehoord. Elsschot droeg vervolgens een groot fragment voor uit zijn novelle De Ontgoocheling, waarna sprekers en luisteraars zich verenigden voor een copieus diner, dat in de beste stemming werd uitgezeten, en gegeten.'

Het moet Carmiggelts eer te na zijn geweest om in de Kronkels te refereren aan dit succesvolle duo-optreden. Pas op 7 maart 1958, tijdens de Boekenweek, dook de naam van de schrijver op in een Kronkel die begon met de nonchalante openingszin: `In mijn vakantie, die nu helaas weer op is, was ik nog even bij Willem Elsschot in Antwerpen.' Het stukje onthulde diverse details over de ware identiteit van de gewetenloze Boorman en de gefleste mevrouw Lauwereyssen uit de roman Lijmen/Het been, en ging verder – zonder veel onderling verband – over enkele andere dingen die de schrijver hem had toevertrouwd. [...]

Ook als het ging om de fictionele verwerking van de realiteit, moet Carmiggelt zich trouwens een geestverwant van Elsschot hebben gevoeld. Zo verscheen er op 6 augustus 1958 een klassiek geworden Kronkel over een man die bij een haringkraam de twintigste verjaardag van zijn dochter staat te vieren. Terwijl hij de ik-figuur ook een harinkje aanbiedt, haalt de man herinneringen op aan het eerste vriendje met wie zijn dochter thuiskwam (`Ik zag 't zó - een gluiperd van het zuiverste water... Harry - ik droom nog wel eens van hem als ik wat zwaar getafeld heb') en aan de vriendjes die daarop volgden: `Harry gaat en Kees komt en Kees gaat en Pim komt en Pim gaat en Nicky komt... En allemaal mee-eten. Ik heb wat voedsel verstrekt, aan die knapen.'

Of de man bij de haringkar echt heeft bestaan, weten we niet. Maar het kan geen toeval zijn geweest, dat Simon Carmiggelt in die tijd uit eigen ervaring wist wat het betekende een dochter met vriendjes te hebben, onder wie zich, volgens vrienden des huizes, ook in werkelijkheid een zekere Nicky bevond. Aanvankelijk verliep het contact tussen de vader en de opgroeiende dochter nog tamelijk harmonieus. `Op een keer had Marianne afgesproken naar Texel te gaan met een jongen met een gitaar', vertelt Hetty Blok, `maar op het laatste moment bedacht ze zich en vroeg toen aan haar vader of hij alsjeblieft wou zeggen dat ze van hem niet mocht. Daar was Simon zeer door geraakt, dat kon je duidelijk zien.' Zijn dochter lag hem dan ook na aan het hart. `Bij ons in de tuin heeft Tiny eens geroepen dat hij verliefd was op zijn dochter', zegt Jetty Paerl. `Dat zei ze om hem te kwetsen. Maar toen was ze dronken.'

Recht tegenover de Carmiggelts in de Weteringstraat bevond zich een Spaans restaurant, in een oud pandje dat voorheen een melkwinkeltje had gehuisvest. Als de bevriende binnenhuisarchitect Edo Spier daar aan een tafeltje bij het raam zat te eten, had hij uitzicht op hun huis: `Dan liet ik de ober tegen een fooi twee glazen sherry naar de overkant brengen, keurig op een blaadje. Voor Simon en zijn vrouw. Even later verschenen ze dan allebei met hun glaasje aan het raam, en dan dronken we elkaar van een afstand toe. Dat soort humor, dat lag hem wel.'

Toch was dit restaurant niet alleen een bron van humor. Marianne, die intussen achttien was, kreeg een verhouding met de Spaanse ober. En op een dag moest ze thuis vertellen dat ze zwanger was. Het bericht sloeg in als een bom. Tiny en Simon Carmiggelt hielden zelfs spoedberaad met hun naaste vrienden, de Van Nordens en de Ramakers. Maar volgens Mariette Ramaker stond voor Simon en Tiny allang vast wat er moest gebeuren. Van abortus kon geen sprake zijn. Er moest getrouwd worden. Het feit dat Simon en Tiny destijds om dezelfde reden met elkaar in het huwelijk waren getreden, was op dat moment slechts een schamele troost. De inderhaast georganiseerde bruiloft werd, in het bijzijn van alle vrienden, gevierd aan een lange tafel boven café Scheltema aan de Nieuwezijds Voorburgwal. `Iedereen was aardig', aldus Jetty Paerl. `We hebben het allemaal meegespeeld, uit liefde voor Simon en Tiny.'

De voortschrijdende zwangerschap verzoende niet alleen Simon en Tiny met de feiten, maar ook zijn moeder, die de gebeurtenissen met argwaan had gevolgd. `Met Marianne en haar Felix gaat het goed', meldde Carmiggelt in een brief aan Wim Kan. `Ze hebben een zeer redelijk huis en zijn in hoge mate gelukkig. Marianne ontpopt zich op een wijze... we staan met open monden. Zuinig! Bedrijvig bezig in het huishouden. Vol begrip voor hoe-een-man-nu-eenmaal-is. En stralend blij met de a.s. baby. Mijn moeder is, na vele maanden mokken te 'sGravenhage, eindelijk op bezoek gekomen. Marianne had precies vijf minuten nodig. Toen ging het dappere oudje door de knieën en legde, geheel vloeibaar, honderd piek op tafel voor de luiers. Sindsdien heeft ze tegen mij zo'n toon van: `Ik begrijp niet wat je er tegen hebt – 't is een hele aardige jongen.' Enfin, vrouwen zijn raadselen. Dit is geen bijzonder oorspronkelijk aforisme, maar wel wáár.'

Het eerste kleinkind was een zoon, die de naam Simon kreeg. `Een poosje geleden ben ik grootvader geworden', aldus de Kronkel van 13 oktober 1959, die verder gewijd was aan de manier waarop de poes had gereageerd op de komst van de baby. Daarna duurde het tot 29 december 1959 voordat het kind opnieuw in een Kronkel figureerde: `Al meer dan een week logeert mijn kleinzoon bij me – een glimmende kers op de wat aangebrande taart van ons gezinsleven. [...] De verschijning van mijn hoofd over de rand van zijn wieg, beschouwt hij als een zéér sterke bak, die hem doet schateren van plezier. Zijn gezicht, dat in rust de uitdrukking heeft van een bedremmeld prinsje, wordt zodra het lacht, van een alles en iedereen omarmende, weerloze goedhartigheid, waaraan je jezelf weer voor een héle dag kunt oppompen.'

Maar terwijl de vertederde grootvader in zijn Kronkels – en in het dagelijks leven – smolt voor de kleine Simon, waren thuis de zorgen nog allerminst voorbij. Opnieuw was er aanleiding voor crisisberaad, toen de nieuwe schoonzoon door het Spaanse restaurant werd ontslagen. Het ging Simon en Tiny, aldus hun vrienden, niet in de eerste plaats om zijn welzijn, maar om dat van Marianne. Zij moest, hoe dan ook, worden geholpen. Zo ontstond het plan voor Felix een eigen restaurant te openen. Een belangrijk steunpilaar werd Max Polak Schoute, wiens dochter Roegke hecht bevriend was met zoon Frank. Polak Schoute stond aan het hoofd van een verzekeringskantoor en kon zodoende met raad en daad meehelpen bij de oprichting van het nieuwe Spaanse restaurant Costa Brava, op de lege verdieping boven café Scheltema. `Wij spraken spottend van het rampenfonds', zegt Mance Post. `Maar iedereen leefde mee. Als er een slappe dag was geweest, konden we er niet van slapen.'

Lang heeft het restaurant Costa Brava niet bestaan, en ook tussen Marianne en Felix ging het al spoedig stuk. Met haar tweejarige zoontje trok Marianne weer bij haar ouders in – de tweede verdieping was voor hen. Voortaan had Simon Carmiggelt zijn kleinkind dagelijks in huis. `Ik moet me bedwingen niet al te vaak over hem te schrijven', zei hij in 1961 in een interview, `want ik zou wel elke dag een stukje over hem kunnen maken. Ik houd het zo'n beetje bij; één keer in de veertien dagen is genoeg. Mijn jongere lezers zeggen wel eens: daar heb je die oude kerel weer met zijn gezeur over dat kleine kreng.' En ietwat onwillig, omdat ze voor interviewers bij voorkeur buiten beeld bleef, voegde Tiny eraan toe: `Het zijn niet zijn stukjes die veranderen, maar Simon zelf, en de stukjes veranderen mee.'

Dit is een bekorte versie van het twaalfde hoofdstuk uit het boek `Carmiggelt, het levensverhaal' van Henk van Gelder, dat volgende week verschijnt bij uitgeverij Nijgh & Van Ditmar. ISBN 903882694X, 400 blz., ƒ75,-

    • Henk van Gelder