Niemand kan het navertellen

De meest beeldende passage in De hoge hoed der historie, de nieuwe, beeldenrijke roman van Sybren Polet, is misschien wel die waarin verslag wordt gedaan van een voetbalwedstrijd. Het is geen gewone wedstrijd, maar eentje van het virtuele soort. De twee elftallen krijgen pas gestalte op het veld, nadat ze door het publiek bij elkaar gedacht zijn en daarmee tot leven gewekt. Het zijn dan ook niet de spelers, maar de toeschouwers die het wedstrijdverloop bepalen. Hoe agressiever het inlevingsvermogen van de kijkers, hoe feller de acties op het veld. `Een van de spelers was getekkeld', zo heet het dan met gevoel voor theater, `en had een trap na gekregen in de milt. Woedend geloei. Op de plaats van de milt rees een gezwel groot als een bloemkool – overdreven, overdreven, dacht de tegenpartij – en slonk weer snel toen de speler opstond.' De beschrijving van deze wedstrijd, waarin voetballers kunnen uitdijen, inkrimpen of zelfs helemaal verdwijnen, is een duidelijk geval van science fiction. Polet neemt wel vaker zijn toevlucht tot een toekomstige tijd, waarin de mens teruggebracht is tot een soort teletubbie, in een volmaakt synthetische wereld. Nostalgische verlangens naar wind en regen en naar een onbestemd vroeger waarin nog echte dingen gebeurden, steken dan af en toe de kop op. In plaats van een `verbeeldingsdier' van plastic of aardewerk, zou men wel een levende poes of hond willen hebben, die kopjes geeft of die men een bal kan leren apporteren. `Ook andere dingen brengt hij terug of draagt hij aan, soms ongevraagd, een stok, een dode vogel, een afgerukte vinger of een ander klein verbeeldingsdier.'

De afgerukte vinger geeft al aan dat we op de zogenaamde echte dingen uit de geschiedenis ook niet helemaal gerust kunnen zijn. Welke periode Polet er in De hoge hoed der historie ook uitlicht, welke historische personages uit welk land dan ook, het is kommer en kwel, moord en doodslag wat de klok slaat. Machtswellust, sadisme, hebzucht en jaloezie strijden om de voorrang, bij de Romeinen, de Fransen, de Engelsen, de Tartaren, de Vikingen en de Russen. Hij tovert uiteenlopende verhalen uit de hoge hoed van de geschiedenis, op smaak gebracht met veel couleur locale en verlevendigd met veel interessante, bloederige of komische details. Van een heldere chronologie is daarbij geen sprake. In het ene hoofdstuk lezen we over biovideokinderen voor wie alimonie betaald moet worden, ectoplasma's, pliglas en telerelaties, terwijl we in het volgende naar veel vroeger verplaatst worden met behulp van woorden als `laweit', `lodderein', `wijders' en `schemel'.

`De' geschiedenis bestaat niet voor Polet, zodat zijn hoogst fictieve `psidelver', afkomstig van een andere planeet, even serieus genomen dient te worden als de 16de-eeuwse heelmeester en alchemist Paracelsus (hier Pericelcius genoemd, want de namen worden vaak lichtjes gewijzigd), die in een van de verhalen opduikt. Hoe kunnen wij bepalen, zo lijkt hij te willen zeggen, wat echt is en wat niet. Niemand kan het immers navertellen. Om dat gemis goed te maken, vaardigde hij ooggetuigen af, die er alsnog bij mogen zijn. Het zijn allemaal afsplitsingen van een bekend personage van Polet, Lokien Perdok, die in romans als Verboden tijd (1964), De Sirkelbewoners (1970), en De geboorte van een geest (1974) optreedt. Als Lode Perlijn zien we hem in de 12de-eeuw rondtrekken met een half religieuze, half duistere missie, als detective Perdie Lockshire struint hij door het 19de-eeuwse Londen, als Loquin komen we hem tegen aan het hof van Versailles ten tijde van Lodewijk XIV en als Likoetin brengt hij in het nog net tsaristische Rusland vele hoofden op hol met zijn vurige profetieën.

Al die verschillende Lokien-afsplitsingen, hoe slim of helderziend soms ook, kampen met existentiële vragen. Ze weten niet wie ze zijn en al helemaal niet wie ze zouden willen zijn. Ook komen ze er maar niet achter of hun geschreven of mondelinge weergave van de wereld juist is. Of, zoals broeder Ludovicus het droogjes uitdrukt, aan het eind van een nogal vermakelijk verslag van een reis naar de grote Khan der Tartaren: `Ik vraag mij overigens af of de broeders hetzelfde gezien hebben als ik.'

Met De hoge hoed der historie laat Polet zien dat hij na Amsterdam, de stad die hij in verschillende romans bezong, nu ook de rest van de wereld aankan, in dertien geanimeerde hoofdstukken waarin hij even gemakkelijk keizer Nero sprekend invoert als een Viking zijn dodelijke zwaard laat trekken - of een heel elftal op de been brengt, vanuit het niets.

Sybren Polet: De hoge hoed der historie. De Wereldbibliotheek,

430 blz. ƒ59,50

    • Janet Luis