Leuk.. bedacht..Oom!

We meenden al lang te weten hoe het zit. Duckstad, de zo vriendelijk ogende woonplaats van de creaties van Walt Disney, is in werkelijkheid een poel des verderfs. Of liever, een jungle waarin jaloezie, meedogenloosheid, wreedheid en uitbuiting van de zwakkeren de dienst uitmaken. De bevolking mag dan multicultureel en democratisch ingesteld lijken, bij nadere bestudering getuigt ze op zijn best van een verstikkende burgerlijkheid. Privébezit is heilig, seks is uit het openbare leven geweerd, aan autoriteit mag niet getwijfeld worden, consumptie is het hoogste ideaal en competitie a way of life. De wereld van Donald Duck en Oom Dagobert is kapitalistisch tot op de vliezen en xenofoob tot op het bot. De familie Duck maakt verre reizen, van Inca Blinca en Congolië tot Trallala en Verweggistan, maar het is altijd om ruwe grondstoffen te vergaren of om bevestigd te worden in de eigen superioriteit. De kinderlijkheid van de autochtonen maakt ouderwets imperialisme vanzelfsprekend.

`Donald Go Home!' schreven de Chileense marxisten Ariel Dorfman en Armand Mattelart in 1971 in hun inmiddels klassieke studie How to Read Donald Duck (Para leer al pato Donald). Twee jaar voordat een militaire junta de invloed van het Amerikaanse bedrijfsleven in hun vaderland veiligstelde, waarschuwden zij tegen de `imperialistische ideologie' van Disney. Dertig jaar van films en stripverhalen hadden de Zuid-Amerikaanse kinderen sluipenderwijs vergiftigd met de verdorvenheden van het kapitalisme, en het werd tijd voor `culturele dekolonisatie'. De eye-opener van Dorfman & Mattelart, die overigens in het Chili van Pinochet onmiddellijk op de brandstapel belandde, moest daartoe de eerste stap zijn.

Hoezeer de gespierd-linkse cultuurkritiek sinds How to Read Donald Duck uit de mode is geraakt, zou kunnen blijken uit Het Duckdenken, Michiel Hegeners lange essay over `de invloed van Kwik, Kwek en Kwak op onze samenleving'. Hegener (geboren in 1952) ziet welbeschouwd alleen maar positieve gevolgen van de Disneyficatie van de kinderziel in de jaren vijftig en zestig. In zijn visie waren de neefjes van Donald Duck, met al hun vindingrijkheid en anti-autoritair optreden, het perfecte `identificatiemodel voor degenen die thans de meeste invloed hebben op onze samenleving'. Hun invloed – die via het Vrolijk Weekblad Donald Duck vanaf 1952 `op subliminaal niveau' zijn beslag kreeg – wordt door topambtenaren en captains of industry uit gêne niet met de mond beleden. Maar, zoals Hegener schrijft in de inleiding tot Het Duckdenken: `Vrijwel het hele beleid van alle soorten overheden vertoont neefjes-kenmerken, complete beleidsnota's blijken bij zorgvuldige analyse te wortelen in het gedachtegoed van Kwik, Kwek en Kwak.'

Padvindersclub

In zijn boek traceert Hegener het zogenoemde neefjesdenken in verschillende segmenten van de samenleving. Hij begint bij het militaire bedrijf, waar hij in onder meer de Defensienota (1991) de idealen en structuren aantreft van de Jonge Woudlopers, de padvindersclub van Kwik, Kwek en Kwak `die generieke mobiele brigades en rapid deployment forces op de been brachten toen die in de maatschappelijke realiteit nog niet bestonden'. En dat is alleen nog maar een afspiegeling van de koerswijziging die een nieuwe generatie strategen binnen de NAVO doorvoerden in het begin van de jaren negentig, toen de napoleontische confrontatiemodellen werden verruild voor concepten als flexibilisering en crisisbeheersing. Per slot van rekening is de invloed van de neefjes in Nederland pas van relatief recente datum; in Amerika waren `Huey, Dewey and Louie' al populair sinds ze in hun eerste krantenstrip (d.d. 17 oktober 1937) voor altijd kwamen logeren bij hun Oom Donald.

Veruit de grootste invloed van Kwik, Kwek en Kwak is volgens Hegener terug te vinden op het gebied van de informatiestrategie. Zo is het Handboek voor de Jonge Woudlopers – waarin de neefjes Duck alles kunnen opzoeken, van geografische eigenaardigheden tot taalkundige of medische problemen – een duidelijke voorloper van het Internet, en zijn de Jonge Woudlopers de eerste websurfers. En bovendien is juist het gebrek aan geestelijke bagage van Kwik, Kwek en Kwak hun sterkste punt: `Door hun onwetendheid geheel te onderkennen en door perifere belangen als status en roem te veronachtzamen, slagen de neefjes waar volwassenen de weg kwijt raken in de mist van hun kennis.' Een voorbeeld is het klassieke verhaal waarin de neefjes een treinramp weten te voorkomen met behulp van een proefopstelling, of beter gezegd: waarin ze slimmer zijn dan de experts door te leren uit het gedrag van hun eigen speelgoedtreintjes.

Hegener wijst er op dat de instelling van de neefjes haaks staat op het scholingsmodel van de jaren vijftig en zestig, waarin autoriteit op basis van kennis het hoogste goed was. Kwik, Kwek en Kwak zijn niet alleen de belichaming van het egalitaire denken – iedereen is in staat om problemen op te lossen, mits hij of zij weet hoe je aan de benodigde informatie komt – maar zijn ook meesters van de inductieve methode. Anders dan de volwassenen in de Duckstrips nemen ze de zintuiglijke werkelijkheid als uitgangspunt voor hun handelen. Zoals telkens weer blijkt uit de verre reizen die ze samen met oom Donald maken, kunnen de neefjes veel beter improviseren omdat ze niet uitgaan van rechtlijnige theorieën over hoe de wereld in elkaar zit. Waar Donald voortdurend onaangenaam verrast wordt doordat bijvoorbeeld het oerwoud zich niet zo gedraagt als hij verwacht, daar weten zijn neefjes de schade te beperken door te reageren en zelfs te anticiperen op de Gebroken Hangbrug, het Enge Beest of de Woedende Inboorling.

Tekstballonnen

Kwik, Kwek en Kwak zijn de opvoeders van de post-babyboomgeneratie, stelt Hegener, die hun invloed teloor ziet gaan in de jaren zeventig, wanneer ze concurrentie krijgen `van allerlei strips en kinderboeken waarin het aantasten van ouderlijk gezag en gevestigde orde als standaardingrediënten fungeerden.' De neefjes zijn de grondleggers van het postmodernisme, want ze zijn idealisten zonder ideologisch kader; van de telecommunicatiehausse, want hun gedeelde tekstballonnen (`Oom Donald... mogen wij u... wat vragen?') stonden model voor e-mailcontact en gsm-telefonie; van de explosief gegroeide natuurliefde en hang naar het buitenleven; van de opkomst van het verre reizen (`gekopieerd neefjesgedrag' smaalt Hegener), en zelfs van de vrouwenemancipatie, want ook de feministen waren met het neefjesdenken opgegroeid.

Het klinkt allemaal aardig, en het merendeel van de stellingen zou zelfs aannemelijk zijn geweest als Hegener er in de bewijsvoering niet met de pet naar had gegooid. Vooral in de hoofdstukken `Postmodern gekwaak' en `De tweede eend' moet wollig taalgebruik maskeren dat de schrijver niet weet welke maatschappelijke fenomenen hij wél en niet aan de invloed van Kwik, Kwek en Kwak moet toeschrijven. En hij maakt het alleen maar erger door zijn rammelende betoog op te kloppen met gewichtigdoenerige frasen als: `de logica gebiedt dat wij ons afvragen...', `reden om een reeks concrete voorbeelden te noemen is de ongrijpbaarheid van de bewijslast', en: `er lijkt reden voor meer onderzoek naar het eventuele doorwerken van de Katrien-figuur in de vrouwenbeweging.'

Dit laatste citaat, uit de inleiding, is onthullend. Vanaf de eerste bladzijde wentelt hij zich in ironie – iets waaraan de neefjes, de grote voorbeelden van zijn generatie, zich nooit schuldig zouden maken. Misschien was hij bang dat zijn stellingen op veel kritiek zouden stuiten, en heeft hij geprobeerd om zich daar tegen in te dekken met quasi-wetenschappelijk taalgebruik en lollige terzijdes. Een teken aan de wand is zijn brongebruik: niet de werken die er echt toe doen worden geciteerd (How to Read Donald Duck komt niet aan de orde), maar verzonnen artikelen met titels die te flauw zijn voor woorden. Wat te denken van `Huey, Dewey and Louie and the Birth of Nato' of `De neeven van Donald Duck en de getijden des leevens', dat volgens Hegener in 1955 verscheen, maar kennelijk wel geschreven is in een variatie op de spelling van vóór 1954. Als je wilt mystificeren, doe dat dan in ieder geval overtuigend.

Hegener heeft zichzelf en zijn these niet serieus genomen. Dat is jammer, want het lijkt me onloochenbaar dat de Duckstrips – maar ook andere veelgelezen strips als Asterix en Suske en Wiske – invloed hebben gehad op de kinderen die ze verslinden. Misschien is er geen sprake van een kapitalisties-imperialistiese hersenspoeling, zoals Dorfman en Mattelart een kwart eeuw geleden suggereerden, maar dat neemt niet weg dat de strip een belangrijk socialisatiemiddel is. Hoe kinderen in hun kijk op het leven, in hun houding ten opzichte van andere culturen, en in hun opvattingen over kunst en literatuur door Disney beïnvloed zijn (en worden) – dat is, om Hegener te parafraseren, een goed onderwerp voor serieus nader onderzoek.

Michiel Hegener: Het Duckdenken. De invloed van Kwik, Kwek en Kwak op onze samenleving. Contact, 96 blz. ƒ17,90

    • Pieter Steinz