Hoger onderwijs behoeft geld

Ondanks de teruglopende studentenaantallen zal Nederland toch meer geld moeten steken in het hoger onderwijs. Alleen op die manier kunnen we in de nabije toekomst voldoen aan onze ambities als `Kennisland', menen Gerrit de Jager en Frans Leijnse.

Moeiteloos kan een pagina van deze krant gevuld worden met platitudes over de kennisintensiteit van onze economie. Nederland is immers `Kennisland', `Mainport-Brainport' en toegang tot de `Europese Elektronische Snelweg'. Onze economie moet het steeds minder hebben van laagwaardige massaproductie, en steeds meer van hoogwaardig maatwerk. Kennisintensieve diensten zijn in betrekkelijk korte tijd de grootste sector van de economie geworden. Zij tekenen bovendien voor het leeuwendeel van de indrukwekkende werkgelegenheidsgroei van de laatste jaren.

Deze propagandapraatjes bevatten ongetwijfeld meer dan een kern van waarheid. De digitale revolutie is dan ook zeker niet aan Nederland voorbijgegaan. Maar deze revolutie behoeft wel onderhoud. En juist daar komen de eerste scheuren in het behang.

`Schaarste aan jong talent nijpend', zo luidt een kop in NRC Handelsblad van 29 oktober jl. Een onderzoeksbureau voorspelt dat de relatief lage deelname van jongeren aan het hoger onderwijs over enige tijd de groeipotentie van de economie zal verminderen. Door grote tekorten aan hoger opgeleiden zullen bedrijven innovatiemogelijkheden moeten laten lopen. De kraptes zullen leiden tot een opwaartse druk op de lonen die de arbeidskosten over de hele linie opdrijft. Minder groei, en vooral minder kennisintensieve groei zullen het gevolg zijn. In de Volkskrant van dezelfde dag wijst hoogleraar Luc Soete erop dat andere landen, zoals de VS en Frankrijk, al tien jaar geleden in onderwijs en onderzoek zijn gaan investeren en nu een forse voorsprong ontwikkelen op de belangrijkste productiefactor van de Nieuwe Economie: kennis. Terwijl ons land zich vooral druk lijkt te maken om de infrastructuur van de negentiende eeuw: wegen en spoorlijnen.

Kennisinfrastructuur is een kapitaalgoed dat investeringen in de diepte en breedte vergt. Terecht wordt erop gewezen dat ons land te weinig ruimte schept voor fundamenteel onderzoek en dat extra impulsen voor de universiteiten en onderzoeksinstituten nodig zijn. De ontwikkeling van nieuwe kennis is echter niet meer alleen afhankelijk van fundamenteel onderzoek. Evenzeer belangrijk is een brede spreiding van toegepast onderzoek en een optimale toegankelijkheid van deze activiteit voor het bedrijfsleven. Innovaties worden in belangrijke mate gedragen door het midden- en kleinbedrijf. Het heeft behoefte aan toegankelijke mogelijkheden voor toegepast onderzoek en advies. De publieke kennisinfrastructuur van hogescholen en universiteiten kan hierin voorzien. Maar dan moet er wel in capaciteit voor toegepast onderzoek geïnvesteerd worden, met name bij de hogescholen.

Ook het onderwijs heeft behoefte aan meer diepte en breedte. Er bestaat zowel behoefte aan meer voortgezette (masters) opleidingen van hoog wetenschappelijk en professioneel niveau, als aan verbreding van de deelname aan de basisopleiding (bachelors) in hogescholen en universiteiten. Die groei van het hoger onderwijs is nodig om dreigende tekorten aan afgestudeerden enigszins het hoofd te bieden. Want de komende jaren komt de arbeidsmarkt minstens 200.000 HBO'ers en 50.000 WO'ers tekort.

Over de behoefte aan meer kennis bestaat weinig verschil van mening. MKB-Nederland en VNO-NCW dringen voortdurend aan op een actievere dienstverlening van hogescholen en universiteiten aan de bedrijven. Over de onwenselijkheid van grote tekorten op de arbeidsmarkt bestaat eveneens brede consensus. `But where is the beef?' zouden de Amerikanen zeggen. Zoals bekend, geeft ons `kennisland' aanmerkelijk minder aan onderwijs uit dan in de beschaafde wereld gebruikelijk is: volgens de meest optimistische schatting 5,4 procent van het bruto binnenlands product, bij een OECD-gemiddelde van 6,0 procent, een verschil van 5 miljard gulden. Binnen de overheidsuitgaven neemt bovendien het aandeel van het hoger onderwijs systematisch af omdat HBO en WO, anders dan andere onderwijsvormen en bijvoorbeeld ook de zorg, aan vaste budgetten gebonden zijn. Nederland geeft 1,8 procent van het overheidsbudget uit aan hoger onderwijs, terwijl elders minstens 2,0 procent normaal is, dat scheelt bijna 500 miljoen gulden. Gegeven de relatief sterke groei van het bruto binnenlands product in de afgelopen jaren en de ongeveer gelijkblijvende uitgaven voor hoger onderwijs zal dat percentage waarschijnlijk nog gedaald zijn. Dit staat in schril contrast met het beleid in onze buurlanden, die de afgelopen jaren juist meer geïnvesteerd hebben in het hoger onderwijs.

Dit beleid van bevriezen, knijpen en snijden werd tot voor kort gelegitimeerd met een verwijzing naar de ontgroening van de bevolking. Er komen minder jongeren, dus er is minder onderwijs nodig. Nog geen vier jaar geleden voorspelde de vorige minister van Onderwijs dat de studentenaantallen in het hoger onderwijs fors zouden teruglopen: het HBO zou op zijn best gelijkblijven, het WO met ruim 20 procent krimpen. Weliswaar schijnt er in de ministerraad nog iemand zachtjes `brainport' te hebben geroepen, maar men dacht dat dit op een ander agendapunt moest slaan.

Inmiddels weten we dat de werkelijkheid zich niet in de alibi's van de minister heeft laten persen. De studentenaantallen aan de universiteiten zijn veel minder teruggelopen dan in 1996 was voorspeld. Aan de hogescholen zijn de studentenaantallen zelfs veel harder gegroeid dan men in dat jaar dacht. Alleen al het HBO heeft nu ruim 10 procent meer studenten dan toen en de groei zit er nog steeds goed in. Op grond van de huidige instroom zullen de hogescholen groeien van bijna 260.000 studenten in 1991 naar ongeveer 325.000 in 2004, terwijl de universiteiten vrijwel zeker niet onder de 150.000 studenten zullen komen.

In landen als Frankrijk, Duitsland, de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk beweegt het aandeel van iedere generatie jongeren dat deelneemt aan het hoger onderwijs zich nu tussen de 40 en 45 procent. Nederland steekt daar met ongeveer 37 procent mager tegen af. Op de arbeidsmarkt blijft het aandeel hoger opgeleiden in ons land eveneens achter. Van de werkenden tussen de 25 en 34 jaar is in ons land een beduidend kleiner deel hoog opgeleid dan in de genoemde andere landen. Als het dus aankomt op de kennisintensiteit van de arbeidskracht verliezen we met iedere nieuwe generatie verder terrein op onze naaste concurrenten.

De recente groei van de hogescholen is in dit licht niet zozeer een luxe, als wel bittere noodzaak, gezien de verwachte tekorten. Daarom wordt de hogescholen gevraagd niet alleen te groeien en meer jongeren een initiële hogere opleiding te geven, maar vooral ook een tweede spoor open te stellen voor volwassenen met een baan.

Universiteiten en vooral hogescholen zullen het accent moeten verleggen van puur jeugdonderwijs naar een veel gevarieerder onderwijspakket. De hogescholen hebben daartoe de eerste aanzet al gegeven. Maar ook hier schijnt schraalhans keukenmeester te zijn: terwijl de Britse overheid de instellingen voor hoger onderwijs extra middelen geeft voor het aantrekken van oudere studenten, moeten de Nederlandse instellingen het juist met minder middelen per student doen. Het noodzakelijke maatwerk maakt premies voor het aantrekken van oudere studenten hard nodig.

Bij deze dubbele uitdaging voegt zich nog een derde: het voorzien in de benodigde kennistransfer naar middelgrote en kleine bedrijven. De goed toegankelijke infrastructuur van toegepast onderzoek die hiervoor nodig is bevindt zich pas in een eerste stadium. Het zal een flinke investering vergen.

Een blik op de begroting is echter genoeg om tot de werkelijkheid van het polderland terug te keren. Het beschikbare bedrag per student is sinds 1996 inmiddels reëel met meer dan 10 procent gedaald, en zal dramatisch verder afnemen in de komende jaren. Het HBO is voor de overheid vrijwel de goedkoopste onderwijssoort aan het worden. Ruimte voor investeringen in informatietechnologie is niet voorzien. Over toegepast onderzoek wordt een beleefd stilzwijgen in acht genomen. Nederland Kennisland wil naar goed gebruik voor een dubbeltje op de eerste rang zitten. Te vrezen valt dat we die eerste rang binnenkort wel kunnen vergeten.

Dr. G. de Jager is senior-beleidsadviseur en prof.dr. F. Leijnse is voorzitter van de vereniging van hogescholen HBO-raad.

    • G. de Jager
    • F. Leijnse