Het onheilspellende ritme van de wereldgeschiedenis

De Duitse historicus Ernst Nolte gaf in de jaren tachtig de aanzet tot een hevige `Historikerstreit' over de uniciteit van de Holocaust. Ook in recente debatten over het nazi-verleden klinkt zijn invloed door. Maar hoe is het met Nolte zelf? Zijn nieuwste boek blijkt een onthutsende poging het antisemitisme historisch te rechtvaardigen.

Aan erkenning ontbrak het de Duitse historicus Ernst Nolte (1923) lange tijd niet. Als auteur van het internationaal geprezen Der Faschismus in seiner Epoche (1963) en een aantal andere studies op het gebied van de hedendaagse ideologieën, bouwde hij vanaf de jaren zestig een grote internationale reputatie op. Totdat halverwege de jaren tachtig - de tijd van een nieuw vriespunt in de Koude Oorlog – Noltes denken een scherpe bocht naar rechts maakte. In zijn publicaties over het nationaal-socialisme doken rond die tijd steeds meer rechts-radicale beweringen op, die hij presenteerde als interessante en nader te onderzoeken `hypothesen'. Nolte probeerde consequent om de grenzen van de wetenschappelijke discussie te verleggen – en niet zonder succes. Deze weg lijkt hij met zijn nieuwste boek Historische Existenz, dat vorig jaar verscheen, tot een wonderlijk maar logisch einde te hebben afgelegd. Vanaf Olympische intellectuele hoogten belicht hij hierin de zijns inziens fundamentele overeenkomsten tussen het nationaal-socialistische en het joodse denken en ontwaart hij zelfs de contouren van Mein Kampf in het Oude Testament.

Historikerstreit

Noltes nieuwe denkweg manifesteerde zich tijdens de `Historikerstreit' van 1986- 1987. In een aantal artikelen in die tijd ontwikkelde hij een interpretatie van het nationaal-socialisme, die sterk door Stammtisch-revisionisme werd gekleurd. De Tweede Wereldoorlog presenteerde Nolte als een `preventieve oorlog' van Hitler tegen Stalin. Hitlers angst voor `de bolsjewistische klassenmoord op de bourgeoisie' was volgens Nolte de psychologische wortel van de nazistische moord op de joden geweest, waarbij Hitler de joden `niet helemaal onterecht' met het communisme had geïdentificeerd. De Holocaust was volgens hem niet uniek, maar een soort kopie van het `Aziatische' origineel: de Goelag. Nader beschouwd bestond er zelfs een causaal verband tussen die twee massamoorden, omdat de Holocaust de Duitse reactie op de Russische Goelag was geweest. En omdat reacties volgens Nolte nu eenmaal altijd verder doorschieten dan de acties zelf, was de bolsjevistische klassenmoord `doorgeschoten' in de nazistische rassenmoord. De joden waren daaraan zelf mede verantwoordelijk, meende hij, omdat de voorzitter van het Jewish World Congress in 1939 Duitsland de oorlog had verklaard. Al met al werd het volgens Nolte hoog tijd dat de Bondsrepubliek deze `historische feiten' nuchter en gedistantieerd onder ogen ging zien. Het Derde Rijk moest eindelijk eens `gehistoriseerd' worden, dat wil zeggen als normale geschiedenis worden behandeld, waar men zonder `Auschwitz-complex' naar kon kijken.

In 1987 presenteerde Nolte Der Europäische Bürgerkrieg 1917-1945 waarin hij zijn nieuwe visie uitwerkte in een heuse historische synthese. Nieuw was zijn voorstel om de gehele periode 1917-1945 als een `Europese burgeroorlog' te beschouwen, waarbij het nationaal-socialisme weer volledig werd herleid tot een reactie op de communistische 'vernietigingsdreiging'. Hitler was volgens Nolte `de anti-Lenin van de Europese bourgeoisie' geweest.

De reacties van Noltes vakbroeders waren hoofdzakelijk vernietigend. Nolte voelde zich uiteraard verkeerd begrepen en zag zichzelf vooral als het slachtoffer van `Links' dat volgens hem sinds 1968 de Duitse pers in handen had. Daarom moest hij toch nog één keer ad fontes en ad fundum gaan. Het resultaat is Noltes 61 hoofdstukken tellende, massieve Historische Existenz.

De vraag waar dit boek over gaat laat zich niet eenvoudig beantwoorden. In zekere zin gaat het namelijk over alles, beginnend bij de oerknal, meanderend via planeetvorming en menswording, het ontstaan van religies en hoogculturen en eindigend met de ondergang van de Europese cultuur in globalisering, nivellering, ontideologisering en de `deseksualisering' van het westen door radicaalfeministen, die de man willen inruilen voor een zaadbank. Tussen dit alles door heeft Nolte zijn eigenlijke onderwerp verstopt: de plaats van de `Europese burgeroorlog' in de wereldgeschiedenis. Alleen dat verklaart Noltes plotselinge belangstelling voor de post-histoire, het `einde van de geschiedenis', en zijn contrastcategorie, de historische Existenz. Nu na het nationaal-socialisme ook het communisme van het toneel is verdwenen, is het liberalisme overgebleven als het enige ideologische ijkpunt in de westerse wereld. Noltes moderne geschiedenis, immers een strijd tussen ideologieën, is daardoor in de overdrive terechtgekomen, die ons alleen méér van hetzelfde brengt. De eigenlijke geschiedenis speelt zich volgens Nolte af tussen de prehistorische stationaire stand van zo'n 3000 voor Christus – toen de stedelijke en schriftelijke hoogculturen ontstonden – en ons jaar 2000. Nolte wil nagaan wat deze eigenlijke geschiedenis behelst en is daarom, in navolging van Martin Heidegger, op zoek gegaan naar de `fundamentele bepalingen' van `de specifieke zijnswijze van de mens'. Hiertoe rekent hij machtsuitoefening, religie, oorlog, de stad, sociale stratificatie en staat, de adel – die voor Nolte het beste in de mens representeerde – het `tegenstreven van Links', het historisch bewustzijn, economie en seksualiteit. Waarom uitgerekend déze bonte verzameling bepalingen fundamenteel voor de historische existentie van de mens zou zijn vertelt Nolte er helaas niet bij.

Noltes aanpak is even opmerkelijk als zijn onderwerp. Zuiver filosofisch is zijn werkwijze niet: het is niet bedoeld als proeve van geschiedfilosofie en evenmin als filosofische antropologie. Zuiver historisch is zijn aanpak evenmin, omdat Nolte zich voor de geschiedenis als Ganzheit interesseert en concrete historische feiten alleen wegens hun algemene betekenis optekent. Nee, het gaat hier om `filosofische geschiedschrijving', dat wil zeggen een genre waarin de tegenstellingen tussen concrete geschiedenis en abstracte filosofie worden opgeheven.

Heidegger

Zijn fundamentele ideeën over geschiedenis heeft Nolte aan Heidegger ontleend. Dit geldt met name voor de rol van de (`ontologische') angst voor het niets, of onbekende. Het gegeven dat de mens niet door zijn instincten gedetermineerd wordt, maar een `mogelijkheidswezen' is, betekent dat de mens altijd tot het overschrijden van het hier en nu veroordeeld is en tot de voorstelling van een Ganzheit ofwel wereld. Dit overschrijden krijgt door de moderne wetenschap en de Industriële Revolutie een nieuwe kwaliteit. Het gevolg daarvan is namelijk dat de wereld wordt omgevormd tot een universum van principieel gelijksoortige en technisch beheersbare objecten en dat de traditionele relaties tussen mensen steeds abstracter worden. Dit proces, dat velen modernisering noemen, heet bij Nolte `praktische transcendentie'. Nolte ziet het als Heideggers grote verdienste een verbinding te hebben gezien tussen deze `praktische transcendentie' en de ervaring van angst. Zo was Nolte namelijk in staat om het nationaal-socialisme te doorgronden als uiting van angst vóór en opstand tegen de moderniteit, en om Hitlers nationaal-socialisme te herleiden tot zijn angst voor het alles nivellerende bolsjevisme.

Deze filosofische herleiding van het nazisme tot Hitlers angst voor de moderniteit gaat Nolte echter nog niet diep genoeg. Hij rust niet voordat hij het alles nivellerende moderne denken op zijn beurt heeft herleid tot – en dat brengt hem bij zijn eigenlijke onderwerp - het joodse denken. Het nivellerende, utopische denken zoals dat begon in de joodse cultuur representeert volgens Nolte in de wereldgeschiedenis de tegenpool van het historische denken. Elke nivellerende utopie spiegelt een posthistorische toekomst voor, waarin de geschiedenis tot stilstand komt (zie de projectie van de communistische samenleving na het einde van de geschiedenis als klassenstrijd). De dynamiek van de wereldgeschiedenis is volgens Nolte het gevolg van de strijd tussen utopische en anti-utopische krachten. De utopische krachten belichamen de ewige Linke, de bewegingen die vanaf het bijbelse Israël via de wederdopers en de jacobijnen in het communisme uitmonden. De anti-utopische krachten zijn degenen, die zich tegen de nivellerende moderniteit en de Linksen verzetten, zoals in deze eeuw de nazi's.

Omdat joden de eersten in de geschiedenis waren, die zo'n posthistorische utopie ontwierpen, hebben we hier volgens Nolte met `het interessantste van alle volken' te maken, dat via de christelijke traditie de Europese cultuur als geen ander heeft bepaald. De Griekse traditie met haar tragische, hiërarchische en heroïsche wereldbeeld is vergeleken daarmee onbeduidend geweest voor Europa als geheel, stelt Nolte spijtig vast, al maakt hij een uitzondering voor de Duitse cultuur. De ewige Linke is voor Nolte dus ideaaltypisch de historisch variabele verschijningsvorm van de ewige Jude: Lenin wordt zo ongeveer de politieke reïncarnatie van Mozes. Toen de nazi's de moordpraktijken van de bolsjevisten `kopieerden', confronteerden zij de joden dus goed beschouwd met hun eigen `vinding'. Uit het bijbelboek Joshua, waarin over de joodse verovering van Kanaän wordt verhaald, blijkt voor Nolte dat de joodse god de god van de vernietiging is. De joodse leiders beschikten over een religieus gelegitimeerd `veroveringsprogramma', dat tegelijkertijd een `uitroeiïngsprogramma' was. Het joodse denken combineerde `religieus fanatisme naar binnen toe met een universele vijandschap naar buiten' en de joden hadden hun land `als engelen van de dood' veroverd. De gepredikte wereldvrede is dan ook niets anders dan `de wereldheerschappij van Jahwe en zijn volk'. Marx en Lenin vervingen vervolgens het uitverkoren volk door het proletariaat en Jahwe door de communistische partij. En Hitler had niet veel meer gedaan dan het proletariaat weer vervangen door het Germaanse ras en de CP door de nazi-partij. De omstandigheid dat Joshua geen historisch boek is, maakt voor Nolte niets uit. Net als bij andere antisemitische denkbeelden die hij rehabiliteert (zoals het gelijkstellen van joden en communisten), benadrukt hij hier de `reële kern' van het verhaal.

Troebel dompelbad

Wat te denken van dit boek? Een eerste probleem voor een zakelijk oordeel is dat zowel de afbakening van zijn onderwerp als zijn aanpak uiteindelijk in nevelen gehuld blijft. Nolte sluit nooit bij de stand van de wetenschappelijke discussie over een onderwerp aan, maar vertelt de lezer direct op gezag van zijn favoriete auteurs hoe de geschiedenis in elkaar steekt. Deze werkwijze is voor een wetenschapper nogal ongebruikelijk en leidt, als het even tegenzit, tot dilettantisme in het kwadraat.

Een tweede, ernstiger probleem is dat Nolte de wereldgeschiedenis gebruikt om zijn these van een `Europese burgeroorlog' geschiedfilosofisch te verankeren. De wereldgeschiedenis verandert daardoor, aangelengd met een stevige scheut cultuurkritiek volgens Nietzsche en Heidegger, in een troebel dompelbad, waarin de `singulariteit' van het Derde Rijk restloos oplost.

Daarmee is het derde, en meest verontrustende, probleem in Noltes boek aangeduid, namelijk het antisemitisme. Per saldo vervullen vele dwarsverbanden die hij legt, zoals de verbinding tussen het Oude Testament en het bolsjevisme evenals de verbinding tussen bolsjevisme en nazisme, evident een apologetische functie. Noltes excursies monden uit in de aloude omdraaiing van het dader – slachtoffer schema, blaming the victim, waardoor de slachtoffers van de nazi's worden opgescheept met de verantwoordelijkheid voor hun eigen lot.

Dit gegeven maakt ook Noltes succes – zijn boeken beleven doorgaans diverse herdrukken – tot een probleem. Niet eens zozeer wegens zijn weerklank in rechts-radicale kring, maar vooral door de verschuiving van de coördinaten van het intellectuele debat in het herenigde Duitsland, waaraan Nolte met zijn pleidooien voor de `historisering' van het Derde Rijk ontegenzeggelijk toe heeft bijgedragen. Deze verschuiving manifesteert zich onder meer in de controverse over de schrijver Martin Walser en de `privatisering' van het geweten en opnieuw in de recente filosofenstrijd rond Peter Sloterdijk (die zichzelf, net als Nolte, direct tot slachtoffer van `Links' bombardeert). Wat in deze debatten naar voren komt, is de uitdrukkelijke wens om de omgang met het nazi-verleden te normaliseren en tot een privé-zaak te maken. Dat betekent een fundamentele verandering van de relatie tussen het hedendaagse Duitsland en het Derde Rijk, in vergelijking met de oude Bonner Republiek. De vraag van `Bonn' hoe Duitsland met zijn nazi-verleden moest omgaan, is langzamerhand vervangen door de vraag van `Berlijn' of men van hedendaagse Duitsers nog wel een speciale omgangsregeling met het nazi-verleden mag verwachten. Zowel de politicus Schröder als de intellectuelen Walser en Sloterdijk vinden dat dit aan het individuele geweten moet worden overgelaten. Het Holocaust-monument in Berlijn zou zo wel eens kunnen veranderen in een paradoxale betonnen punt achter de publieke omgang met het nazi-verleden.

Dat Ernst Nolte in zijn laatste boek de hele wereldgeschiedenis gebruikt om de Holocaust van een `historische context' te voorzien, illustreert vooralsnog dat dit verleden nog lang niet in `gewone' geschiedenis veranderd is. En wat Historische Existenz ook verder is, het is in zijn speculatieve anti-semitisme onherroepelijk Noltes eigen intellectuele testament.

Ernst Nolte: Historische Existenz. Zwischen Anfang und Ende der Geschichte. Piper, 765 blz. ƒ102,20

Correctie

De foto die op pagina 3 stond afgedrukt, ter illustratie van het stuk over Ernst Nolte (Boeken 5.11.99), toonde niet Nolte, maar Egon Krenz tijdens een toespraak in Berlijn.

Redactie

De Nederlandse prijzen van buitenlandse boeken zijn benaderingen aan de hand van de omrekentabel van de Koninklijke Vereeniging ter Bevordering van de Belangen des Boekhandels; ze kunnen onderhevig zijn aan koersfluctuaties en aan prijsverschillen.

    • Chris Lorenz