Een Zuid-Duitse Catcher in the Rye

Aan de voorkant een mooi blauw jongensoog met erboven een popster-achtige bos blond haar, aan de achterkant de borsten van een blote dame. Zo ziet het omslag van Crazy eruit, maar wie de roman in de winkel wantrouwig teruglegt doet Crazy onrecht. Anders dan de verpakking heeft de inhoud niets maar dan ook helemaal niets ranzigs.

Sympathie voor de auteur krijg je alleen al door de manier waarop hij over zijn handicap schrijft. Benjamin Lebert is eenzijdig verlamd. De linkerhelft van zijn lichaam laat het stomweg afweten. Smeert hij een broodje, dan vliegt het als een boemerang over de tafel omdat zijn linkerhand het broodje niet kan vasthouden. Tekent hij een driehoek, dan krijgt hij de lijnen niet bij elkaar omdat zijn spastische linkerarm de rechterarm steeds optaters verkoopt. Beschamend wanneer je nog op school zit en iedereen naar jouw gekluns kan kijken.

In Crazy vertelt Lebert over die schaamte, en over het onbegrip van vooral de docenten: ```Op je zestiende hoor je toch te weten hoe je een geodriehoek moet vasthouden,' constateert Rolf Falkenstein, de wiskundeleraar. Hij geeft hem mij terug, hij heeft me niet geholpen met het tekenen van het bewijs bij een stelling over congruentie. Pech.' Neuseelen is Benjamins vijfde school. Een kostschool, lekker streng, de laatste hoop voor zijn vertwijfelde ouders. Maar in het slothoofdstuk deelt Benjamin ons mee: `Ik ga niet over. Ik moet van het internaat af. Ze hebben mijn ouders een gepeperde brief geschreven: Uw zoon is er helaas niet toe in staat. Bovendien veroorzaakte hij veel overlast.'

Het relaas van een outsider vormt het raamwerk van Crazy, maar binnen dat raamwerk gaat het over acceptatie en vriendschap, over de steun van een groep. Dikke Felix, dunne Felix, de kleine Florian, de stoere Janosch en de stille Troy: zíj nemen Benni zoals hij is. Zij dragen hem als hij teveel pijn heeft om te lopen; zij slepen hem er doorheen. Ze hebben allemaal problemen, de een met de echtscheiding van zijn ouders, de ander met de dood van een broertje, en symptomen als vraatzucht, bedplassen en sprakeloosheid maken hen er niet vrolijker op. Ze zijn uit hun gezinnen verstoten, de leraren staan mijlenver van hen af en zo voeden ze zichzelf op. Tot mannen.

Lebert, in 1982 in Zuid-Duitsland geboren, maakt er geen geheim van dat hij de manwording in Crazy van een oudere, Amerikaanse schrijver heeft afgekeken. Op een dag krijgt Benni The Old Man and the Sea van Ernest Hemingway in handen en vanaf dat moment weet hij: `Literatuur is als je bij iedere zin een streepje kunt zetten - gewoon omdat het klopt.' Een centrale uitspraak in Crazy komt van Ernest Hemingway. Die uitspraak luidt: `Een mens mag het niet opgeven.Ze kunnen hem vernietigen, maar hij mag het niet opgeven.' Een mens moet ook zijn mislukkingen moedig dragen. Zijn leven is een heroïsch gevecht, en God beloont hem er niet voor want God is met belangrijker zaken bezig.

Zo dacht Hemingway erover en zo denken de vrienden in Crazy erover. God kijkt niet naar hun gevecht - maar ze hebben een streepje op de eenzame oude man van Ernest Hemingway voor: ze kijken naar elkáár. En voor elkaar zijn ze helden. Want ze overwinnen, weliswaar met liters alcohol, ruzies en een hoop afgangen maar toch, hun grootste jongensangsten. De angst voor meisjes bijvoorbeeld. Het smakeloze bloteborstenplaatje zal wel verwijzen naar de mooie scène bij de meisjes. Die zijn er ook in Neuseelen, alleen is hun etage voor de jongens slechts te bereiken via een lange brandtrap. Dus Benni met zijn tegenwerkende been is al halfdood als hij net boven is. En dan moet de initiatierite nog komen. Een vrijpartij met een stomdronken meisje, droef maar noodzakelijk.

Droef is de hele roman, en grappig. Duitse critici vergeleken hem met Salingers jongerencultboek The Catcher in the Rye en, ofschoon Hemingway's invloed groter is, doet één ding aan Salinger denken: de liefdevolle toon. Niemand komt er slecht vanaf; zelfs Benni's vader, die Rolling Stones-T-shirts draagt in plaats van verantwoordelijkheden, krijgt een mild portret. En de makkers op het internaat doen wel stoute dingen, maar hun gefilosofeer, over meisjes, God, het leven, is ontwapenend. Benjamin Lebert houdt van dialogen en korte, laconieke zinnen, halve zinnen vaak, onvolmaakt maar ritmisch. In zijn laatste zinnen spreekt hij ineens de lezer toe: `Als u wilt, kunt u me een keertje komen opzoeken. In Schwabing. Na al die onzin hier moet u me eigenlijk best goed kennen. U kunt me vast makkelijk vinden. Ik ben die jongen die op een verdachte manier met zijn linkerbeen trekt. Sinds het afscheidsfeest op Neuseelen heb ik mijn haar geblondeerd. Dat heb ik samen met de jongens gedaan. We zien er nu echt grappig uit. Als broers. Janosch vindt het crazy.'

Benjamin Lebert: Crazy. Uit het Duits vertaald door Wil Boesten. Atlas, 159 blz. ƒ29,90

    • Anneriek de Jong