Een waslijn met houten knijpers

Wie het oeuvre van de Hongaarse schrijver György Konrád door de jaren heen is blijven volgen, weet hoezeer de vermenging van publiek en privaat leven in een totalitaire samenleving zijn grote thema is. De opdringerigheid van een politiek bestel dat het hele leven wil omvatten stond hem ten zeerste tegen. Een regering behoort haar werk te doen als het personeel van een oud en gerenommeerd hotel: geruisloos en dienstbaar. Zijn verlangen ging uit naar de saaiheid van een land waar de straatnamen niet om de paar jaar veranderen.

Nu na de omwenteling van 1989 de druk van het publieke leven is weggevallen openbaart zich een mogelijkheid tot onthechting. In de figuur van een regisseur die burgemeester wordt, Antal Tombor, heeft Konrád in zijn nieuwste roman Nalatenschap deze spanning tussen publieke verplichtingen en private genoegens opnieuw tot onderwerp gemaakt. Tombor wordt geportretteerd op een manier waarin men veel van Konráds eigen houding herkent: `Ik ervaar de innerlijke onverschilligheid tegenover de toekomst als een bevrijding'. Alleen wie onderkent hoezeer het woord `toekomst' in het Oosten is plat getreden, kan zo'n zin naar waarde schatten.

Kenmerkend voor zijn oeuvre is de vermenging van roman en essay, beide zijn immers `vormen van het dagboek'. Al zijn boeken zijn losse weefsels: elke alinea kan op zichzelf worden gelezen. Het op zich dunne verhaal over de ondergang van Tombor is doorsneden met talloze waarnemingen over het menselijk tekort en de nieuwe vrijheid. `Bij onze manier van denken horen omwegen, kronkels, depressies en grote sprongen vooruit'. Die stijl is hier ver doorgevoerd in tweehonderdzesentwintig hoofdstukjes.

Interessant is om te zien hoe Konrád reageert op de wereld na de omwenteling. Hij laat goed zien hoezeer het noodlot een zeer huiselijke betekenis heeft gekregen in Midden-Europa, dat immers voortdurend door vreemde mogendheden onder de voet is gelopen. Waarom zou men zich verantwoordelijk voelen? Vooral ziet Konrád een luidruchtige consumptie zich breed maken. In het koffiehuis dat ooit geborgenheid bood, overheersen nu schreeuwerige kleuren plastic meubilair. Hij typeert in de figuur van Baba Dudu de nieuwe bezittende klasse waarover een zware schaduw van de onderwereld valt. Baba Dudu is de buurman van de burgemeester en wil hem met enige aandrang ertoe bewegen zijn huis en grond te verkopen. Tegelijk delen ze Liza, die televisie-presentatrice is. Pijnlijke verwikkelingen laten dan ook niet lang op zich wachten.

György Konrád is in deze roman op zijn best over het misverstand tussen man en vrouw. De hele huishouding, die we ook uit voorgaande romans kennen, passeert de revue: Melinda, Dragomán, Jeremiás, Kobra. Ondanks voorbijkomende bedgenoten en andere complicaties, wordt de mogelijkheid van een verzoening niet uitgesloten, althans dat suggereren zijn ietwat gelaten kanttekeningen: `Wat je eenmaal overleefd hebt, is goed, ook al was het toen niet goed'.

Nalatenschap laat zich vooral lezen als een lof der traagheid: Konrád is een meester van de onthaasting. Hij mijmert wat af, gezeten in `een ondraaglijk lief hoekje', overvolle vruchtbomen binnen handbereik, een waslijn met houten knijpers waaraan de overhemden slaperig uitwaaien, uitzicht op de omringende heuveltoppen en op de achtergrond gedempte kindergeluiden. Die aantrekkingskracht van de tuin is begrijpelijk na alle woelingen in de wereld waar hij deel van is geworden: `De meest bestendige ervaring van mijn leven tot nu toe is het gevoel geweest dat het geweld achter de deur staat'.

Gaandeweg roept het neuriën van Konrád gaandeweg ergernis op. Een iets dwingender verhaallijn, eigenzinnige waarnemingen over het leven na de omwenteling, meer ontwikkeling in de hoofdpersoon, het zou Nalatenschap allemaal ten goede zijn gekomen. `Een lege schommel baadt in gouden licht, erboven zweven ronde schapenwolken. Soms is zelfs het gekwaak van eenden een genot, en het geknor van varkens is dat uiteraard ook'. Deze roman is een stilleven dat smeekt om een lijst. Natuurlijk raakt Konrád een algemene ervaring wanneer hij Tombor laat zeggen: `Ik ben uitgezet en weer gekrompen'. Het zal ook zo zijn dat met de jaren de mildheid toeneemt, maar de `allesoverheersende geest van verzoening' waarvan Konrad bij herhaling getuigt, is wat veel van het goede. Ook onthechting behoeft een vorm.

Deze roman is het sluitstuk van de tetralogie die zo veelbelovend met Tuinfeest begon en werd vervolgd met Melinda en Dragomán en De stenen klok. Konrád reflecteert in Nalatenschap over de opkomst en ondergang van een carrière. Die laat zich ook lezen als de balans van zijn eigen schrijverschap. Hij lijkt zich goed bewust dat de tijd achter hem ligt waarin zijn romans en essays dwongen tot een herwaardering van waarden: `Wat had U gedacht, meneer, een bloeitijd zonder verval, schijnwerpers die nooit uitgaan?' Met dit rommelige slotaccoord is zeker niet het laatste woord gezegd over een oeuvre, dat vooral door romans als De Medeplichtige en Tuinfeest, een duurzame plaats heeft verworven in de Europese literatuur.

In een vroeger leven was een uitdagend gebaar al snel gemaakt: `Dankzij het vorige regime kon ik gemakkelijk een avonturier zijn, zelfs terwijl ik in een schommelstoel een pijp zat te roken'. Die koestering van de privésfeer heeft beslissend bijgedragen tot het verval van de dwingelandij in het Oosten. En nu? In weerwil van sommige boertige volksvertegenwoordigers en grijpgrage ondernemers is het goed in zijn land. Zolang niemand je wil slaan, wat valt er dan te klagen na een leven waarin je als elfjarig joods jongentje ter nauwernood aan de dood bent ontsnapt. Het is tijd om de boedel te beschrijven. `Als er geen raadsels meer zijn, rest alleen nog de herhaling. Maar dat is natuurlijk ook goed'.

György Konrád: Nalatenschap. Van Gennep, 285 blz. ƒ39,90

    • Paul Scheffer