Een hekel aan ouwehoerverhalen

Werkgeversvoorman Hans Blankert houdt het vandaag voor gezien. De afgelopen jaren heeft hij zich het meest geërgerd aan de bemoeizucht van politici, die alles tot in details willen regelen. ,,De wetgever moet zich niet bemoeien met het spel dat werkgevers en werknemers spelen. Mijn grote bezwaar daarbij is dat ik constant oploop tegen mensen, Kamerleden vooral, die nog nooit een onderne- ming van binnen hebben gezien.''

`Ik weet niet waarom, maar ik was bijna altijd aanvoerder.'' Hans Blankert was ooit een sportman, een basketballer onder meer. ,,Ik was spelverdeler. Had met mijn lengte te maken. Ik was er dan ook voor de afstandschoten.'' Aanvoerder zijn van het team, daar vroeg Blankert nooit om. ,,Ik vond dat maar lastig, want je moest altijd beleefd blijven tegen de scheidsrechter.''

De nieuwe voorzitter van de sportkoepel NOC*NSF vroeg er dertien jaar geleden evenmin om werkgeversvoorman in de metaal te worden. ,,Ik was er niet mee bezig en ik heb het nooit gezocht.'' Maar Blankert rolde er nog verder in: de FME-voorzitter werd centrale aanvoerder van de christelijke werkgevers verenigd in het NCW en nadat deze vereniging fuseerde met VNO was Blankert als voorzitter van VNO-NCW ,,opeens'' dé werkgeversvertegenwoordiger van Nederland.

,,Ik weet niet hoe ze in 1986 bij me gekomen zijn'', zegt Blankert over het out-of-the-blue-verzoek van het metaalwerkgeversverbond FME om hun leidsman te worden. ,,Ik ben er ook nooit achter gekomen. Na twee gesprekken in het begin vroegen ze me of ik misschien uit Groningen kwam. Ze vonden me namelijk nogal kort van stof. Dat klopt, ouwehoerverhalen daar hou ik niet van.''

Blankert is de man van de kortommunicatie, zoals Koot en Bie dat noemden. Wat binnensmonds stoot hij staccato-zinnen uit, meestal gevuld met wat cynische humor en altijd op effect gericht. Bij voorkeur om tegelijkertijd de gesprekspartner – vooral de vakbonden – in de hoek te zetten én met ze in gesprek te blijven. ,,Nul is nodig, nul is genoeg, vond ik altijd een hele mooie van mezelf'', zegt Blankert terugblikkend. De nul, een terugkerend thema, duidt op de loonstijging die de werkgeversvoorman als uitgangspunt voor ogen heeft gestaan. Nul is nimmer reëel geweest, maar het hoort nu eenmaal bij het spel dat Blankert met zichtbaar genoegen heeft gespeeld.

Dat spel had een hoog folklore-gehalte – of `folleklore' zoals Blankert het uitspreekt – zoals het tot diep in de nacht dooronderhandelen. ,,Volkomen improductief.'' Of zoals de signalen die de twee onderhandelingsdelegaties over en weer geven, al of niet bewust. ,,Aan het aantal afspraken dat de bonden vooraf maakten voor de CAO-onderhandelingen kun je zien of ze snel tot een akkoord wilden komen of juist de zaak wilden rekken.'' Maar vertragen, dat kunnen de werkgevers ook: ,,Wij probeerden het altijd naar mei en juni te rekken. Dan waren de bonden wat minder bereid te staken, omdat dan alle vrouwen op de camping zaten. Mooi weer, lange dagen, dan hoefden ze niet zo nodig. Het is allemaal een spel, want over tachtig procent van de CAO ben je het eens. Waar het om draait is of je die overige twintig procent aan het begin of aan het eind van de onderhandelingen zet.''

Folklore is er ook rondom het ultieme machtsmiddel van de bonden: een staking. ,,Ik heb ook een keer een staking aan mijn broek gehad. Er werd vooral gestaakt omdat de bonden het weer eens tijd vonden te gaan staken. De T-shirts en de petjes hadden te lang in de kast gelegen.''

De bonden stelden van tevoren vast op welk onderwerp ze de onderhandelingen zouden laten klappen – ,,dat gaven ze ook ruiterlijk toe'', zegt Blankert – en trokken naar de Doelen, Jaarbeurs en RAI. ,,Dan zag ik dat `s avonds op het Journaal en ik dacht: `het zal allemaal wel'. Ze hadden me trouwens wel te pakken gehad bij die staking. Werkgevers hebben als uitgangspunt: staken en praten gaat niet samen. Maar de bonden hadden de staking zo gepland dat na tien dagen staken Hemelvaart kwam. Er werd niet gewerkt en dus ook niet gestaakt. En dus moesten we toen onderhandelen.''

Een staking is volgens Blankert ondanks het spel dat er omheen gespeeld wordt zo'n beetje het ergste dat een bedrijf kan overkomen. ,,Dat werkt jaren door, want er zijn ook mensen die niet willen staken.'' Resultaat: een schisma op de werkvloer waar werknemers het hebben over `voor' en `na' de staking alsof het de Tweede Wereldoorlog betreft, compleet met goed en fout. ,,De ene werknemer zegt: `Jij had niet moeten staken'. En de ander: `Waarom heb jij niet mee gedaan, schijtlijster?'.''

Voor de financiële positie van een ondernemer hoeft een staking niet zo'n ramp te zijn. ,,Als die valt in een periode dat je orderportefeuille toch leeg is, is zo'n staking mooi meegenomen.'' Maar die situatie dateert alweer van de pre-poldermodeljaren. Een staking nu zou de werkgevers geld kosten en dan breken spannende tijden aan voor een werkgeversvoorman: is wat hij wil nog acceptabel voor zijn leden? ,,Dan moet je echt het front gesloten zien te houden en aanvallen afweren van werknemerskant die proberen een half akkoordje te sluiten.''

Een goede onderhandelaar haalt geen trucs uit. ,,Over een jaar zit je weer tegenover elkaar en reken maar dat je het dan voor je kiezen krijgt.'' Duidelijk zijn, niet eromheen draaien en uiteindelijk elkaar kunnen vertrouwen, dat is volgens Blankert het recept voor het succes van de verhoudingen tussen sociale partners. ,,Ik heb wel eens eisenpakketten van arbeidsvoorwaarden gehad met loonstijgingen van, alles bij elkaar, 8 à 9 procent. `Verzin eens wat beters', zei ik dan tegen de bonden, `je maakt het veel te makkelijk om daar `nee' tegen te zeggen.' Zo'n eis was voor mij scoren voor open doel naar mijn leden toe.''

Waar werkgevers en werknemers elkaar blijmoedig publiek voor rotte vis uitmaken, maar informeel en dus ongebonden met elkaar in gesprek blijven, is het onderhandelen met de derde partner in het poldermodel, ruwweg `de politiek', Blankert wat minder goed bevallen. Keer op keer opent zijn vereniging de aanval op `onzalige, wereldvreemde voorstellen' van kabinet of Kamer.

Het resultaat is in drie soorten politieke reacties onder te verdelen: `we zullen er eens naar kijken', de benoeming van een `adviesorgaantje' (dixit minister Jorritsma van Economische Zaken) of een nota waarin de inspanningen van VNO-NCW nog eens dunnetjes worden overgedaan. ,,Maar dan hebben we tenminste een voet tussen de deur'', stelt Blankert hoopvol. Dat is dan ook vaak de maximale beloning; de sociale partners zitten nu eenmaal in een afhankelijke situatie als het om de politiek gaat. ,,Ik heb het kabinet en de politiek nodig, maar als wij iets écht niet willen, heeft een minister een probleem, kijk naar het rekeningrijden.''

Groen en geel heeft Blankert zich al die jaren geërgerd aan politici, vooral Tweede-Kamerleden, die traditioneel bij elk openbaar optreden van de werkgeversvoorzitter een zorgvuldig bedachte verbale uithaal kregen. Politici ,,janken'', ,,treuzelen'', ,,hebben geen benul'' of zijn ,,vogels'' die zich bemoeien met pensioen of verlof of andere zaken waar ze helemaal niets mee te maken hebben.

Samengevat is de klacht van Blankert dat de politiek steeds meer en steeds fijnmaziger en gedetailleerder wil regelen, terwijl sociale partners steeds meer de neiging hebben om centraal globale afspraken te maken. De gedetailleerde deals worden op bedrijfstak- of bedrijfsniveau gesloten en in toenemende mate op individueel niveau. ,,Zeker nu de bazen de vragende partij zijn en nederig aan de sollicitanten vragen hoe ze het gehad hadden willen hebben.''

Eén keer deed `de politiek' het in de ogen van Blankert goed. De nieuwe arbeidstijdenwet is een wet waarvoor werkgevers warm kunnen lopen omdat wettelijk slechts is afgesproken dat werknemers maximaal 520 uren per kwartaal mogen werken en verder de vrijheid wordt gelaten aan werkgevers en werknemers om die in te passen.

,,Maar voor het overige hebben we alleen voorbeelden van slechte wetten. Neem de Arbowet. Er was een hele simpele richtlijn: u, werkgever, moet ervoor zorgen dat er veilig en gezond in uw onderneming gewerkt kan worden. Daar maken wij in Nederland duizend artikelen van tot aan de hoogte van het keukenblad voor de thuiswerker aan toe.''

Nog meer overregulering ziet Blankert in de aanstaande privacywet, de deeltijdwet en de zorgverlofregeling. Allemaal zaken die binnen ondernemingen al lang onderling worden geregeld tussen individuele werkgevers en werknemers. ,,Net als roken op de werkplek. Dat wilde Borst regelen terwijl dat nota bene al ís geregeld in de Arbowet.'' De klacht van Blankert is simpel: sociale partners zijn voortdurend met hun spel bezig, het spel van het ruilen van tijd voor geld en andersom.

Met dat spel moet de wetgever zich niet bemoeien door voortdurend over de schouder mee te kijken en de spelregels te veranderen. ,,Mijn grote bezwaar daarbij is dat ik constant oploop tegen mensen, Kamerleden vooral, die nog nooit een onderneming van binnen hebben gezien. Een minimaal aantal heeft in het bedrijfsleven gewerkt.''

Dat is een verwijt dat de werkgevers zichzelf dan mogen maken. De huidige Kamerleden kunnen met recht en reden zeggen: `als je het dan zo goed weet, ga er dan zelf zitten'. Daar voelen de werkgevers dan weer niets voor. ,,Het politieke spel ligt ons nu eenmaal wat minder'', bekent Blankert. ,,De politieke besluitvorming is ingewikkeld en onvoorspelbaar en daar houden ondernemers niet van.''

In een terugblik gaf Blankert eerder deze week aan dat er gedurende zijn voorzitterschap een heleboel niet is bereikt. Ondanks al zijn inspanningen zoeken volgens Blankert nog een miljoen werklozen een baan (de meesten met een WW- of een bijstandsuitkering), gaat het aantal WAO'ers eveneens naar het miljoen, zijn bedrijven steeds onbereikbaarder geworden net als de zorg, is de staatsschuld met 520 miljard gulden nog steeds te hoog en wordt er een blokkade opgeworpen voor verdere privatisering en marktwerking.

Blankert is dan ook gevraagd voor nog eens drie jaar VNO-NCW. Daar hoefde hij geen seconde over na te denken: het wordt tijd voor ,,een nieuwe kop'' op de werkgeversvereniging en dus stapt Blankert op. De nieuwe man, Jacques Schraven, moet zijn eigen accenten leggen en toon kiezen, zegt Blankert. En dus krijgen nu de sportbonden te maken met de accenten en de toon van de Rotterdamse spelverdeler.

`Haal Prinsjedag 2000 een week naar voren', zei Blankert op zijn eerste dag als voorzitter van NOC*NSF. Iedereen dacht dat hij zijn gebruikelijke grap had gemaakt, maar Blankert meende het serieus. Het volgende voorstel heeft hij al bedacht. Als Nederland ooit de Olympische Spelen binnen weet te halen, mag het als organiserend land een Olympische demonstratiesport introduceren. ,,Ik weet al welke typisch Nederlandse sport ik ga voorstellen'', zegt de scheidend werkgeversvoorzitter: ,,Klaplopen.''

    • Robert Giebels