Een advocaat moet de belangen van zijn cliënt optimaal dienen

Een advocaat dient binnen de grenzen van de wet de belangen van zijn cliënt eenzijdig en optimaal te behartigen, ook al is de kans op recidive groot. Het is dan ook onjuist dat een advocaat zich niet zou mogen beroepen op de mazen in de wet, meent G. Mols.

In zijn kruistocht tegen de advocatuur in het algemeen en sommige advocaten in het bijzonder betoogt de jurist Hendrik Kaptein dat als het aan hem ligt advocaten zich niet mogen beroepen op de mazen in de wet (NRC Handelsblad, 1 november). Bij het lezen van zijn betoog rijzen de volgende vragen: waar mogen advocaten zich wel op beroepen en wie is eigenlijk verantwoordelijk voor de mazen in de wet? Om met het laatste te beginnen: de wetgever is verantwoordelijk voor lacunes in de wet en niemand anders, ook verdedigers in strafzaken niet.

In de rechtsstaat is het gelukkig nog steeds zo dat de wetgever de dienst uitmaakt. Als uitgangspunt geldt het primaat van de wet. De wetgever geeft dus aan binnen welke grenzen bijvoorbeeld de deelnemers in het strafproces moeten opereren. Die wetsgebondenheid biedt niet alleen rechtszekerheid voor de burgers (verdacht, veroordeeld, of geen van beide), maar draagt ook bij aan het tegengaan van oordelen gebaseerd op willekeur. Als de wetgever van mening is dat bijvoorbeeld doodslag met maximaal 20 jaar bestraft kan worden, is het niet aan de rechter, de officier van justitie of de raadsman om er levenslang van te maken. Zolang de wetgever bepaald gedrag niet strafbaar stelt, gaat het niet aan dat een ander orgaan of welk individu ook iemand wel strafbaar verklaart.

In de wetgeving worden de grenzen van het overheidsoptreden aangegeven. Wanneer daar lacunes in zijn moet diezelfde wetgever ze opvullen. Het verleggen van die verantwoordelijkheid naar anderen impliceert het verlaten van het hiervoor genoemde wezenlijke element van de rechtsstaat, namelijk het primaat van de wet. De uiterste consequentie hiervan is dat anderen dan de democratisch gekozen wetgever de dienst gaan uitmaken. Dat leidt tot een hoge graad van rechtsonzekerheid, willekeur en andere verschijnselen waarmee bananenrepublieken zich van democratische rechtsstaten onderscheiden.

Bij het lezen van het betoog van Kaptein – die de advocaat in strafzaken verantwoordelijk houdt voor strafbare gedragingen gepleegd door de cliënt die dankzij zijn raadsman op vrije voeten is – drong zich bij mij de volgende vergelijking op. Een chirurg wordt op de operatiekamer geconfronteerd met een patiënt die het stempel `verkrachter' draagt en waarvan bekend is dat het om een recidivist gaat. De verwondingen aan het lijf van de patiënt wijzen overigens op een recent seksueel vergrijp dat voor de patiënt niet goed is afgelopen. Stel dat de chirurg de man opereert, hetgeen tot volledig herstel leidt. Stel de voormalige patiënt vergrijpt zich vervolgens weer aan een slachtoffer. Is de chirurg daar dan verantwoordelijk voor? En sterker nog: had de chirurg de patiënt niet mogen opereren?

Kaptein beroept zich ten aanzien van de verdediger in strafzaken op de advocateneed, die verbiedt dat advocaten zich ten behoeve van hun cliënten beroepen op de mazen in de wet. Ook die stelling is onjuist. Een advocaat, die niets anders doet dan er bij de rechter op aandringen dat de wet wordt nageleefd en dat de rechten van zijn cliënt worden gerespecteerd, kan moeilijk worden verweten dat hij iets doet dat onjuist of onrechtvaardig is. Zo'n advocaat doet zijn plicht en kan met recht hoeder van de rechtsstaat worden genoemd. De uiterste consequentie van Kapteins gesundes volksempfinden-filosofie houdt overigens in dat de raadsman geen vrijspraak mag bepleiten, en geen onrechtmatig bewijs of niet-ontvankelijkheidsverweren mag voeren als dat in de kraam van Kaptein te pas komt. Een dergelijke strafrechtspleging wordt door totalitaire regimes (zoals in China) nagestreefd, maar zoveel is duidelijk dat zij in een rechtsstaat krachtig van de hand moet worden gewezen.

Degene die het niet naleven van de wet tot uitgangspunt van het verlenen van rechtsbijstand verheft, begeeft zich niet alleen op glad ijs maar ondermijnt op den duur diezelfde rechtsstaat. Uit deze opvatting blijkt dat Kaptein een onjuist begrip heeft van de taak van de advocaat in strafzaken. Die taak is het om met inachtneming van de vertrouwensrelatie met de cliënt en de daaruit voortvloeiende geheimhoudingsplicht binnen de grenzen van de wet de belangen van de cliënt eenzijdig en optimaal te behartigen. Het vullen van leemten in de wet hoort daar niet bij zolang dit niet in het belang is van de cliënt. En wat in het belang van de cliënt is, bepaalt niet Kaptein maar de klant zelf. Dat betekent niet dat de raadsman geen oog heeft voor het leed dat het slachtoffer zou zijn aangedaan of dat hij in voorkomende gevallen geen aandacht besteedt aan mogelijke gevolgen van bepaalde verweren en besluiten. Maar dat is nog iets anders dan het door Kaptein bedoelde best-wilcriterium als uitgangspunt te nemen voor het optreden van advocaten in strafzaken. Die benadering leidt ertoe dat de burger het vertrouwen in de advocatuur verliest, omdat zal blijken dat hij bij de duivel te biecht is geweest. Daarmee houdt de advocaat op te bestaan als vertrouwenspersoon tot wie elke burger zich moet kunnen wenden voor rechtsbijstand. De chirurg mag van Kaptein niet meer opereren, de advocaat mag zijn cliënt geen adequate rechtsbijstand meer verlenen.

Kapteins betoog is tamelijk demagogisch van aard. De verklaring daarvoor is dat hij op zoek is naar een zondebok voor justitieel falen. Dergelijke zoektochten gaan vaak gepaard met demagogisch taalgebruik die de gehanteerde argumenten geen extra kracht geven. Maar bovendien verhoogt dat soort bijdragen onlustgevoelens jegens de vermeende boosdoener. Over wie daarvoor aansprakelijk is, hoeft geen discussie te worden gevoerd.

Prof.mr. G. Mols is hoogleraar strafrecht aan de Universiteit Maastricht.