Echte mannen vechten

Wie beweert dat `Fight Club' de grenzen van het geweld in films verlegt, kent de geschiedenis slecht. Wel nieuw is dat het geweld geen vanzelfsprekendheid meer is.

`Een gevaarlijke film', noemde de Engelse criticus Alexander Walker Fight Club. `De meest fascistische en gewelddadige Hollywoodfilm sinds Death Wish', voegde zijn Amerikaanse collega Roger Ebert daar aan toe. Sinds drie weken draait Fight Club met succes in de Amerikaanse bioscopen, en uit marktonderzoek blijkt dat de meeste vrouwen het een walgelijke vertoning vinden, maar mannen overwegend positief reageren.

Vanaf gisteren kan het Nederlandse publiek zelf oordelen over Fight Club. Ik weet nog steeds niet wat ik er precies van moet vinden. Maar het afdoen van de film als exploitatie van hersenloos geweld lijkt me in ieder geval geen adequate reactie op een zo gecompliceerde en rijke auteursfilm, geregisseerd door een van de thematisch en stilistisch meest consistente nieuwe Amerikaanse filmmakers.

In alle vier de films van David Fincher (1963) is het oorlog tussen mannen en vrouwen. Puzzels zijn die films, met briljant geconstrueerde, morbide schijnwerelden. In Alien3 (1992) is Sigourney Weaver de enige vrouw op een planeet vol extreem gewelddadige mannelijke wezens. In Se7en (1995) kan Brad Pitt slechts een seriemoordenaar vangen, nadat deze zijn vriendin voor zijn ogen gruwelijk gedood heeft; hij wordt verscheurd door wroeging dat hij haar niet heeft kunnen redden. En in The Game (1997) verveelt de puissant rijke Michael Douglas zich zo zeer dat hij zich tegen betaling onderwerpt aan een tegen hem gericht complot, met een sleutelrol voor onbetrouwbare dames. Finchers laatste drie films draaien bovendien om een dubbelgangersmotief, waarin de ene mannelijke hoofdpersoon zijn bestaan slechts zin kan geven door zich te spiegelen aan een ongrijpbare en superieure andere man.

Net als de vorige drie is Finchers Fight Club, gebaseerd op een cultroman van Chuck Palahniuk uit 1996, een imposant vormgegeven film, ingenieus in het creëren van een niet-bestaande wereld, die zorgelijk veel op de onze lijkt.

De verteller, die in de film Jack heet, en gespeeld wordt door Edward Norton, is een succesvol zakenman met een slaapprobleem.

Hotelzeepjes

De naam van degene die die het leven van de hoofdpersoon een andere wending geeft is Tyler Durden (Brad Pitt). Jack heeft genoeg van eenpersoonsmaaltijden in vliegtuigen en van voorverpakte hotelzeepjes. Jack wil wel weer eens kunnen slapen. De dokter heeft hem aangeraden om een zelfhulpgroep te bezoeken van terminale patiënten, dan zie je wat pas echt erg is. In de armen van Big Bob (popzanger Meat Loaf), die na teelbalkanker twee enorme borsten heeft ontwikkeld, vindt Jack voorlopig rust. Hij bezoekt elke avond een andere therapeutische knuffelgroep en kan weer slapen. Dan zit opeens Tyler Durden in een vliegtuig naast hem.

Tyler is een echte man, een van de laatste in een door vrouwen gedomineerde wereld. 's Nachts organiseert hij een vechtclub, in een souterrain, waar mannen elkaar fysiek afbeuken. Jack wordt gelouterd door Tyler, laat zijn neus breken, zijn ogen blauw slaan, en hervindt zijn mannelijke identiteit. Nooit meer mannen met borsten, nooit meer knuffels, geen siliconen, maar hormonen!

Na een klein uur neemt Fight Club een onprettige wending. De herkenbare analyse van de existentiële leegte in een uitsluitend op consumptie en kant-en-klare emoties gerichte wereld mondt uit in een simpele remedie. Uit deze club ontstaat een geheim testosterongenootschap. ,,De eerste regel van Fight Club is dat je niet praat over Fight Club'', leert Tyler Durden zijn volgelingen. De hoofdpersoon is lid geworden van een militante sekte, die trouw zweert aan de leider, en op diens gezag voorbereidingen treft om kantoren van credit card-organisaties op te blazen.

De griezelige overeenkomsten met de Amerikaanse werkelijkheid, waar de samenloop van hormonale onrust van angstige mannen en maatschappelijk conservatisme, al meer dan eens heeft geleid tot extreem-rechts, anti-kapitalistisch terrorisme dat kantoorgebouwen opblaast, maakt de zorg over het succes van een film als Fight Club begrijpelijk. Maar het zou ook heel onverstandig zijn de boodschappers Palahniuk en Fincher te onthoofden.

Beschaving

`Tyler Durden' is een akelig mannetje, dat tegenwoordig in veel mannenhoofden en -borsten rondspookt. Hij heeft daar misschien altijd al gewoond, maar hield zich tot voor kort rustig. Tyler Durden gedijt bij een overmaat aan beschaving, bij een wereld die traditioneel aan vrouwen toegeschreven eigenschappen als gelijkmatigheid, koestering en lichamelijke passiviteit hoger waardeert dan traditioneel mannelijke als controle, macht, confrontatie en gewelddadigheid. Dan wordt Tyler Durden geactiveerd en gaat er op los slaan. Hij nodigt ons uit het pijnloze bestaan af te zweren. Tyler Durden is een piercing.

Loutering door pijn is een oeroud gegeven. In veel westerns komt een scène voor, waarin mannen met zichtbaar plezier elkaar met barkrukken te lijf gaan. Katharsis door pijn, een hoofdthema van Fight Club, is nu niet bepaald een nieuwe gedachte in films, al deed de grimeur van John Wayne het wat kalmer aan met de uitbeelding van de verwondingen. Toen de western, het mannelijke filmgenre bij uitstek, in ongenade viel, omdat de generatie van de jaren zestig liever bloemen in het haar droeg, beleefden de filmcowboys hun last stand. Enerzijds explodeerde de western in een orgie van geweld, bij Sam Peckinpah en in de spaghettivariant van Sergio Leone. Anderzijds werden de barkrukken in A Man Called Horse (1970) vervangen door sacrale marteltechnieken van indiaanse sjamanen. De verwijfde gentleman die er het slachtoffer van werd, groeide juist daardoor uit tot een beter en nobeler mens.

Wie beweert dat Fight Club de grenzen van het geweld in films verlegt, kent de geschiedenis slecht. Wel nieuw is dat het geweld geen vanzelfsprekendheid meer is. Sadistisch en masochistisch plezier was in westerns een impliciete vooronderstelling, een niet ter discussie gestelde mannelijke norm, waar pas veel later filmwetenschappers een homo-erotische lading aan zijn gaan koppelen.

In Fight Club worden die mannelijke waarden die dominantie en pijn met lust verbinden, heroverd op een cultuur die ze uitgebannen lijkt te hebben, als primitief en slecht voor een efficiënte, geruisloze samenleving. Intussen slaan voor de deur van de disco of in het voetbalstadion mannen die zich vervelen andere mannen in elkaar. Waarom ze dat doen, maakt Fight Club duidelijk, en dat vind ik verre van gevaarlijk of fascistoïde. Kortzichtig is het wel om de explosie van onderdrukt geweld zo eenzijdig te koppelen aan de tegenstelling tussen mannen en vrouwen. Ook meiden vervelen zich en gaan jennen en meppen.

De laatste grote western, bijna een elegie voor het genre, was Clint Eastwoods Oscarwinnaar Unforgiven (1992). Eastwood speelt daarin zelf de hoofdrol van een oude gunfighter, die nog eenmaal besluit een huurmoord te plegen: niet omdat zijn hormonen hem dat ingeven, maar omdat hij de bescheiden premie nodig heeft om zijn gezin te onderhouden. Het slachtoffer wordt gezocht omdat hij met een mes een prostituée heeft toegetakeld. Ondanks deze vrouwvriendelijke overwegingen blijft een moord een moord; Eastwood pleegt die moord, maar stelt zijn hele film ten dienste van de motivatie het publiek ervan te doorgronden hoe gruwelijk het is om een ander te doden.

De vraag is wat de motivatie van Fight Club zou kunnen zijn. De film is geen aanklacht tegen geweld, maar ook geen poging om het publiek rijp te maken voor een nieuwe golf van westernachtige films. In tegenstelling tot Unforgiven is Fight Club een film zonder moraal. Fincher en Palahniuk tonen ons mannen in het nauw, die besluiten om hard terug te slaan: niet uit wraak, maar om de kick.

Simulante

Is het gevaarlijk om een film te maken zonder moraal? Of zit er wel een moraal verborgen in Fight Club, namelijk dat mannen zich niet op hun kop moeten laten zitten door vrouwelijke normen?

De opdracht voor een werkgroep filmeducatie zou kunnen luiden Fight Club eens te analyseren vanuit het gezichtspunt van het enige vrouwelijke personage, Marla Singer (Helena Bonham-Carter). Ook Marla neemt als simulante deel aan zelfhulpgroepen, maar ze wordt door Jack ontmaskerd: hij is kennelijk de enige die het merkwaardig vindt haar aan te treffen in een groep van patiënten met teelbalkanker. Marla wordt verliefd op Jack, maar deelt het bed met Tyler Durden. Houden vrouwen meer van echte mannen? Of is ook Marla misschien een afsplitsing van Jack, de vrouw die in zijn hoofd en hart leeft? Zeker in de Palahniuks roman zijn aanwijzingen te vinden voor die hypothese, bij voorbeeld de constatering dat Tyler en Marla nooit samen te zien zijn.

Fight Club is een gecompliceerdere film dan fatsoensridders in eerste instantie zouden denken. Misschien is het juist de afwezigheid van een expliciete moraal die zij zo bedreigend vinden. De eerste regel van Fight Club is dat je niet praat over Fight Club. De moraal van Fight Club is dat er geen moraal is, en dat iedereen, man of vrouw, dus zelf moet oordelen over Fight Club. En al pratend over Fight Club zijn of haar eigen moraal kan formuleren.

Fight Club draait vanaf 4 november in veertig Nederlandse bioscopen.

    • Hans Beerekamp