Duitse ambities op het wereldtoneel

Het zijn schaarse momenten waarop de ambities van staten helder aan het licht treden. Zo'n moment deed zich voor tijdens het bezoek deze week van kanselier Schröder aan Japan. Schröder en premier Obuchi waren het eens dat Duitsland en Japan een permanente zetel in de Veiligheidsraad toekomt, zo lieten zij weten. Op zichzelf is dit geen nieuws, maar dat beide regeringsleiders elkaar hierin openlijk steunden, bewijst dat het hun nog steeds menens is, ook al zijn zij de afgelopen jaren nog geen stap dichter bij hun doel gekomen. De vijf landen die sinds het ontstaan van de VN permanent zetels in de Veiligheidsraad bezet houden, tonen geen haast dit gezelschap uit te breiden.

Toch gaan er achter dit enigszins esoterische thema belangwekkende vragen schuil. De eerste vraag is of de hiërarchie in de VN die vlak na de Tweede Wereldoorlog zo vanzelfsprekend was, in de nieuwe verhoudingen nog standhoudt. Vooral sinds het einde van de Koude Oorlog is het primaat van de klassieke buitenlandse politiek in termen van militaire macht opgeheven ten gunste van overwegingen die meer te maken hebben met economische kracht en marktverhoudingen. Waarbij dan ook nog relevant is geworden of staten en hun organisaties dan wel megaondernemingen en hun onderlinge verbindingen dan wel spelers op de internationale financiële markten bepalen hoe de wereld reilt en zeilt. De Aziatische crisis, de eerste breuk in het internationale verwachtingspatroon sinds 1989, lijkt de machtsaanspraken van de laatste categorie te bevestigen. Het is tegen die achtergrond opmerkelijk dat landen als Duitsland en Japan er kennelijk waarde aan hechten toe te treden tot een gezelschap dat aan een voorbij tijdperk doet denken. De club van vijf bestond in 1945 uit de twee, zeg drie overwinnaars uit de Tweede Wereldoorlog en twee landen die onder die oorlog zwaar hadden geleden en daaruit leeggeplunderd, vernederd en verdeeld tevoorschijn waren gekomen: China en Frankrijk. Voor China stond Amerika in, voor Frankrijk het Groot-Brittannië van Churchill. De laatste besefte als geen ander dat het continent een eigen stem aan de top van de wereldgemeenschap moest worden gegund. Zonder die stem, en dat kon toen alleen een Franse zijn, was de rehabilitatie van Europa onbegonnen werk.

Sindsdien is veel veranderd. China werd communistisch. De rehabilitatie van Europa is voltooid. Groot-Brittannië worstelt met zichzelf over zijn plaats in Europa. Frankrijk worstelt met een angstvisioen dat betrekking heeft op een herenigd en van zelfvertrouwen blakend Duitsland. Het zwaartepunt in de wereld verschuift intussen van de Veiligheidsraad naar de informele G-8 en de World Trade Organization (WTO), waar wordt gewerkt aan compromissen die de spanningen binnen de internationale gemeenschap moeten helpen overbruggen en de vrede bewaren.

Het aardige van de G-8 is dat zij de horde voorbij gelopen is die de V-raad nog moet nemen. Duitsland en Japan zijn namelijk al van het begin lid van deze club. Het was aanvankelijk een informeel gezelschap van leiders van zeven rijke industrielanden die vrijelijk met elkaar over economische vraagstukken van gedachten hoopten te kunnen wisselen. Van die vrijblijvendheid is niets terechtgekomen. Integendeel, de G-8 heeft zich tot een instelling van politieke betekenis ontwikkeld. Daaraan heeft ook de toetreding van Rusland bijgedragen. Dit voorjaar slaagde de G-8 er onder Duits voorzitterschap in de tweespalt te overwinnen die het gevolg was van de NAVO-interventie in Kosovo. Zo werd voorkomen dat de wereld weer verdeeld zou raken langs de scheidslijnen stammend uit de Koude Oorlog. De Veiligheidsraad mocht vervolgens van dit resultaat kennisnemen en het formeel bekrachtigen.

De WTO is geen omnivoor als de G-8. Zij heeft een uitgebreid ledenbestand en is geworteld in een verdrag gericht op handelsverruiming. De WTO voorziet in bindende arbitrage bij geschillen, zoals het conflict tussen de VS en de EU over met hormonen bewerkt rundvlees. Op de aanstaande conferentie in Seattle zal het bovendien gaan om de handel in genetisch gemanipuleerd voedsel en veevoeder en om de koppeling van internationale handel aan regels met betrekking tot arbeidsvoorwaarden (kinderarbeid), bescherming van de rechten van de mens en bescherming van het milieu. De positie van landen in ontwikkeling die aanspraak maken op afscherming tegen de economische kracht van rijke landen is vanouds een teer thema op de agenda.

Voor Europa heeft de WTO nog een bijzondere betekenis. Het is de enige internationale organisatie waar de EU met één stem spreekt. In onderhandelingen over handelsverruiming en alles wat daarmee samenhangt is de Unie vertegenwoordigd door de Europese Commissie die daartoe wordt uitgerust met een mandaat van de Raad van Ministers van de Europese lidstaten. Op het terrein van landbouw en cultuur zijn er historisch weliswaar specifiek Franse wensen, maar tot dusver zijn die wensen altijd ingebed in het Europese mandaat.

Ook in het forum van de WTO hebben Duitsland en Japan een meer dan gemiddelde invloed, zij het dat Duitsland die invloed via de EU tot gelding brengt. Dat laatste feit verwijst naar een alternatief voor de bestaande situatie in de Veiligheidsraad. Als Europese staten in staat zijn tot een communautair optreden in een organisatie als de WTO, waarom zou dat niet evengoed mogelijk zijn in een instelling van afnemende betekenis als de Veiligheidsraad? De grote landen in de Unie hebben sinds het Europese debacle op de Balkan de mond vol van versterking van de positie van Europa via versterkte onderlinge samenwerking. Rechtstreekse vertegenwoordiging van de Unie in het gezelschap van permanente leden van de Veiligheidsraad zou het logische sluitstuk van dat nieuwe zelfbewustzijn zijn. Dat Frankrijk en Groot-Brittannië dan hun zetel moeten opgeven, kan, gezien de verwachte opwaardering van de Unie, geen al te groot offer meer zijn. Kanselier Schröder is van die optie geen tegenstander. Maar voor alle zekerheid claimt hij toch alvast een plaats voor Duitsland afzonderlijk.

J.H. Sampiemon is commentator voor NRC Handelsblad.

    • J.H. Sampiemon