Culturele newspeak

De kunstwereld klaag dat het nieuwe kunstbeleid van de econoom Van der Ploeg niet gaat over kunst maar over de economie van de kunst. Een verademing leek daarom de toespraak van Maarten Asscher, de directeur Kunsten van het ministerie van OCW, over het functioneren van de symfonieorkesten. Hier sprak een gedreven kunstliefhebber, met zorg over de toekomst van het symfonieorkest in het komende millennium. Hij eiste een vernieuwing van de orkestcultuur, pleitte voor een betere positie van de eigentijdse componist en ergerde zich aan een orkestlid dat na het spelen van muziek van C.Ph.E. Bach gewoon met een collega praatte over problemen met zijn boot.

Als ambtenaar toonde Asscher ook daadkracht. ,,De overheid moet niet schromen een actief en gedecideerd beleid te voeren om de orkestcultuur bij de tijd te brengen en te houden.'' Maar de economische oriëntatie van het nieuwe kunstbeleid van Van der Ploeg is niet meer te bezweren. Asscher, aangesteld door Van der Ploeg, vindt dat de orkesten ,,veel meer echte kunstbedrijven moeten zijn, in plaats van de marketing-gerichte muziekondernemingen die de orkesten nu soms lijken.'' Slechts een management-goeroe ontdekt hier misschien nog een nuanceverschil tussen Asscher en Van der Ploeg, de auteur van de nota `Cultureel ondernemerschap'. Want Asscher onttrok zich verder niet aan diens culturele newspeak. Hij sprak over de orkestdirecteur als een ,,cultureel ondernemer bij uitstek, die noodzakelijke verbindingen kan leggen en kan optreden als pleitbezorger bij overheid en bedrijfsleven.'' De orkesten zelf hadden zich al aangepast aan het neo-liberale kunstklimaat onder Paars II. In april gaven de orkesten Van der Ploeg een memorandum, dat in voor hem begrijpelijke taal sprak over ,,het aanboren van nieuwe doelgroepen, door middel van een combinatie van specifiek aanbod, aanpassing van marketingstrategieën en het aangaan van nieuwe strategische allianties.''

De orkesten konden het verhaal van Asscher dus bestempelen als ,,openlijke steun voor de vernieuwingen, die door de gezamelijke orkesten reeds enige tijd geleden zijn ingezet.'' Asscher schoot de bal van de orkesten in het eigen OCW-doel. Bij die virtuele stand 2-0 deerde het de orkesten niet dat Asscher een karikatuur gaf van hun saaie werkterrein: ,,De musici zwijgend in het zwart op het verhoogde podium, het publiek grijs en stil in de zaal.''

De orkesten hielden zich opportunistisch in. Want wat was het gemakkelijk geweest om de spot te drijven met de muzikale ideeën van Asscher, voormalig uitgever bij Meulenhoff. Moet het podium dan worden verlaagd? Moeten de musici gaan joelen in plaats van te spelen? Moet het publiek tijdens C.Ph.E. Bach gaan kletsen? Gaf Asscher niet zelf allemaal saaie boeken uit, allemaal met zwarte letters op wit papier, altijd te lezen van boven naar onderen en van links naar rechts? Ook áltijd in een kaft?

    • Kasper Jansen