Amsterdam pleit voor eigen Fotografie Museum

De gemeente Amsterdam heeft aan staatssecretaris Van der Ploeg voorstellen gestuurd voor de oprichting van een Fotografie Museum Amsterdam (FMA). In het museum moeten grote publiekstentoonstellingen plaatsvinden van Nederlandse en internationale fotografie. Daarnaast moet het museum dienen als ontmoetingscentrum voor professionele en amateurfotografen en als studiehuis ter bevordering van educatie en onderzoek. Dit heeft de gemeente Amsterdam gisteren bekend gemaakt.

De plannen voor het FMA zijn opgesteld door een werkgroep waarin de fotoconservatoren Matti Boom van het Rijksmuseum, Hripsimé Visser van het Stedelijk Museum en Els Bartents van het particuliere Huis Marseille (centrum voor fotografie) zitting hadden.

Het FMA zou al volgend jaar geopend kunnen worden op een tijdelijke locatie en moet uiteindelijk worden ondergebracht in het huidige Sweelinckconservatorium aan de Van Baerlestraat. De begroting wordt in de aanloopfase geschat op ruim 1,8 miljoen gulden. De uiteindelijke exploitatiekosten bedragen 2,5 miljoen gulden. De gemeente schrijft daarbij wel uit te gaan van `participatie door derden'.

Het Amsterdamse museumplan (dat wordt gesteund door het Maria Austria Instituut, het Tropenmuseum, het Joods Historisch Museum en het Gemeentearchief) is geschreven op verzoek van Van der Ploeg. Eerder vroeg de staatssecretaris aan zowel Amsterdam als Rotterdam om plannen voor een Instituut voor Beeldcultuur, waarin instellingen op het gebied van fotografie, film en nieuwe media moeten worden ondergebracht. De Raad voor Cultuur adviseerde dit instituut onder te brengen in Rotterdam, dat daartoe het gebouw Las Palmas op de Kop van Zuid beschikbaar stelde. Ook Van der Ploeg heeft een voorkeur voor Rotterdam. De Tweede Kamer heeft echter bedenkingen en wil dat ook Amsterdam functies op het gebied van de fotografie en de nieuwe media behoudt. Met de vraag aan Amsterdam komt Van der Ploeg tegemoet aan deze kritiek.

De beoogde Amsterdamse instelling zou volgens Van der Ploeg moeten functioneren binnen een `netwerkmodel', samen met het Rotterdamse beeldinstituut en andere landelijke instellingen zoals de fotomanifestatie Noorderlicht, het fotofestival in Naarden en het Leids Prentenkabinet.

Ook de Raad voor Cultuur bepleit het `satellietmodel'. In zijn vandaag verschenen advies aan Van der Ploeg houdt de Raad vast aan de al eerder uitgesproken voorkeur voor vestiging van het Instituut voor Beeldcultuur in Rotterdam, dat echter met nadruk wordt beschouwd als onderdeel van een landelijk netwerk van voorzieningen: `een constellatie waarin sprake is van een duidelijk centrum, een brandpunt, temidden van meebewegende actoren'. Bestaande voorzieningen in andere steden kunnen volgens de Raad `door een gezaghebbend en aanjagend centrum optimaal tot hun recht komen'. Vestiging van twee instituten in Rotterdam en Amsterdam (de `tweelingvariant') wordt door de Raad afgewezen, een minder intensieve vorm van samenwerking tussen de verschillende instellingen (een `netwerkstructuur') wordt te vrijblijvend geacht.

De Raad voor Cultuur maakt bezwaar tegen de hoge tijdsdruk bij de besluitvorming rond het Instituut voor Beeldcultuur, die `contraproduktief' dreigt te worden. In verband met de Cultuurnotaprocedure – instellingen moeten voor half december hun beleidsplannen voor de periode 2001-2004 indienen – wil Van der Ploeg half november een definitief besluit nemen. Het aangescherpte Rotterdamse plan acht de Raad echter nog steeds ,,onvoldoende rijp voor gefundeerde oordeelsvorming en besluitvorming''.

Uitwerking van de plannen dient volgens de Raad losgekoppeld te worden van de Cultuurnotaprocedure.