Het nieuws van 5 november 1999

Niemand kan het navertellen

De meest beeldende passage in De hoge hoed der historie, de nieuwe, beeldenrijke roman van Sybren Polet, is misschien wel die waarin verslag wordt gedaan van een voetbalwedstrijd. Het is geen gewone wedstrijd, maar eentje van het virtuele soort. De twee elftallen krijgen pas gestalte op het veld, nadat ze door het publiek bij elkaar gedacht zijn en daarmee tot leven gewekt. Het zijn dan ook niet de spelers, maar de toeschouwers die het wedstrijdverloop bepalen. Hoe agressiever het inlevingsvermogen van de kijkers, hoe feller de acties op het veld. `Een van de spelers was getekkeld', zo heet het dan met gevoel voor theater, `en had een trap na gekregen in de milt. Woedend geloei. Op de plaats van de milt rees een gezwel groot als een bloemkool – overdreven, overdreven, dacht de tegenpartij – en slonk weer snel toen de speler opstond.' De beschrijving van deze wedstrijd, waarin voetballers kunnen uitdijen, inkrimpen of zelfs helemaal verdwijnen, is een duidelijk geval van science fiction. Polet neemt wel vaker zijn toevlucht tot een toekomstige tijd, waarin de mens teruggebracht is tot een soort teletubbie, in een volmaakt synthetische wereld. Nostalgische verlangens naar wind en regen en naar een onbestemd vroeger waarin nog echte dingen gebeurden, steken dan af en toe de kop op. In plaats van een `verbeeldingsdier' van plastic of aardewerk, zou men wel een levende poes of hond willen hebben, die kopjes geeft of die men een bal kan leren apporteren. `Ook andere dingen brengt hij terug of draagt hij aan, soms ongevraagd, een stok, een dode vogel, een afgerukte vinger of een ander klein verbeeldingsdier.'