Uitlaatgassen en vloekende kleuren

Je hoeft geen botanicus te zijn om de straatbomen van Manhattan te kunnen benoemen. Er zijn maar twee soorten. Heeft de boom samengesteld blad, dan is het een Gleditsia, een Valse Christusdoorn en als hij waaiervormige blaadjes uit één stuk heeft, dan is het een Ginkgo, een Japanse Notenboom. `Good for pollutions', las ik ooit toen ik de Ginkgo opzocht in een catalogus van een Japanse boomkweker en inderdaad: in de geelbruine mist van uitlaatgassen in New York gedijt de Japanse notenboom als nergens ter wereld. Het zou mij niet verbazen als er in de stad New York meer stonden dan in heel Japan.

New York is een oude stad, ondanks de moderne bebouwing. De straten en de stadsparkjes van de stad hebben soms bijna iets weg van Parijs, met hun sierlijke hekjes en bankjes vol gietijzeren krullen. Het openbaar groen doet ouderwets aan en de voortuintjes in sommige straten zijn uitgesproken kneuterig, vooral in de wijk Greenwich Village, waardoor een opvallend contrast ontstaat tussen moderne architectuur en kneuterige tuintjes. Hier en daar in de stad wordt wel een poging gedaan om tot een eigentijdse tuinarchitectuur te komen, maar de probeersels zijn meer curieus dan geslaagd.

Op de flanken van de Trump Tower, een spiegelende wolkenkrabber, heeft landschapsarchitect Thomas Balsley met perenbomen en klimop een soort hangende tuinen ontworpen; de buitenman zal zich ongetwijfeld aan dit mirakel vergapen, maar het blijft een goedkope gimmick. Hetzelfde geldt voor de wintertuin in het World Financial Center. Hier zijn volwassen palmbomen onder een glazen dak in een enorme hal geplant - een creatie van landschapsarchitecte Diana Balmori. De bomen rijzen op uit een brandschone vloer van spiegelend marmer en staan erbij als feestgangers die per abuis in een mausoleum zijn beland. Het mooist zijn die tuinen waarin onbeschaamd naar eerlijke kitsch is gestreefd, zoals de neo-classisistische tuin van The Frick Collection, een museum met een schilderijencollectie waarvoor je alleen al een reis naar New York zou willen maken.

De tuin van The Frick Collection is ontworpen door Russell Page, een beroemde Engelse tuinarchitect, en past wonderwel bij het huis dat door de staalmagnaat Frick in 1914 in de stijl van Vesailles werd opgetrokken. En na bezichtiging van de schilderijen is het goed toeven in de binnentuin, waar kikkers water spuwen in een marmeren bassin. Je zou haast vergeten hoe aardskapitalist Frick zijn fortuin over de ruggen van de arbeiders van Pittsburgh heeft vergaard.

Pas in Central Park, New York's meer dan 400 ha grote stadspark, valt iets van een eigen Amerikaanse stijl te bespeuren. Hier wordt gestreefd naar een gestyleerde natuur, naar een getemde wildernis met rotspartijen, boomgroepen, meren en beken. En hier besef je met een schok hoe het landschap er ooit heeft uitgezien voordat New York werd opgetrokken. Ook in Central Park is weer ruimte voor oubolligheid, zoals in de Shakepeare Garden, waarin alle door Shakespeare genoemde bloemen zijn geplant, en in Strawberry Fields, een stukje park dat door Yoko Ono is volgeplant met evenveel plantensoorten als er leden van de Verenigde Naties zijn. Ik weet niet of John Lennon dat een goed idee gevonden zou hebben en bovendien leidt niet ieder sympathiek streven tot een interessante tuin.

Het is vreemd om veel Engelse borders te zien in een land dat al zo lang onafhankelijk is. Toch zijn er subtiele verschillen met het moederland - waar Engelsen gesteld zijn op harmonie en zachte kleuren, lijken Amerikanen meer van contrast te houden en er niet van terug te schrikken om paars en oranje naast elkaar te zetten. Een mooi voorbeeld van deze jolige aanpak is Wave Hill, een tuin in de heuvels van de Bronx.

Dit deel van de Bronx kijkt uit over de Hudson rivier en doet in niets denken aan de armoedige Bronx van de televisieseries - eerder aan Aerdenhout, maar dan iets heuvelachtiger. New York lijkt ver weg op deze idyllische plek; in de verte kun je de stad zien liggen, maar het voortdurende geraas van Manhattan is afwezig en je kunt de spotvogels horen fluiten. Aan de overkant van de rivier zie je een vertikale rotswand met daarbovenop de bossen van New Jersey. De tuin loopt steil af naar de rivier en op het gazon voor het landhuis, waar Mark Twain, Theodore Roosevelt en Arturo Toscanini ooit woonden, staat een bordje `No Skiing'.

Het klimaat van New York – wat extremer dan het onze, met warmere zomers en koudere winters – leent zich goed voor tuinieren met vrolijk gekleurde eenjarige planten die in het zomerseizoen enorme afmetingen bereiken en 's winters afsterven. De composities die op Wave Hill met planten worden gemaakt, zijn bijna muzikaaal te noemen.

Felgekleurde siernetels swingen naast oranje Violen en paarse Lobelia's. Amerikanen zijn meesters in het componeren met planten, zelfs de institutionele Botanische Tuinen zijn op kunstzinnige wijze beplant. De stad New York telt er vier en het is een ware verademing om in een Hortus rond te lopen die niet - zoals bij ons - onder geldzorgen gebukt gaat en waar alles tot in de puntjes onderhouden is.

De Staten Island Botanical Garden is een kruising tussen een botanische tuin en een natuurreservaat. Hier is nog iets van de oorspronkelijke flora en fauna van het gebied te herkennen. De trip naar Staten Island, per veerboot, biedt een prachtig uitzicht op Manhattan, dat met al zijn wolkenkrabbers op het water lijkt te drijven. Ik zou de hele dag op en neer kunnen varen.

De Queens Botanical Garden op Long Island is knus, botanisch gezien oninteressant en geliefd voor huwelijksreportages. De Brooklyn Botanic Garden, niet ver hiervandaan, is spectaculair. Deze tuin is aangelegd in een hoek van het reusachtige Prospect Park dat, evenals Central Park, door de Zochers van Amerika, Frederick Law Olmstead en Calvert Vaux is ontworpen. Hier staan honderden sierkersen en ik zou er graag eens in het voorjaar zijn om door een centimetersdikke laag van afgevallen bloesem te waden.

De grootste en belangrijkste Hortus van New York is de New York Botanical Garden, in de Bronx. Ook hier is de hand van het duo Olmstead en Vaux weer te herkennen in de parkachtige aanleg. De tuin is zo groot dat er een elektrisch treintje rondrijdt waar je naar believen in en uit kunt stappen - het klinkt als een kinderattractie, maar het is een prettige manier van transport in een stad waar je 's zomers soms naar adem snakt.

Het hoogtepunt van de tuin is het Enid E. Haupt Conservatory, een gietijzeren kassencomplex uit 1904, gebouwd naar het voorbeeld van Crystal Palace in Londen. In deze kassen zijn thematuinen aangelegd, zoals een woestijn, een savanne en een tropisch regenwoud. De planten zijn op artistieke wijze gegroepeerd. Het resultaat is misschien niet helemaal natuurgetouw, maar adembenemend om te zien.

De beste seizoenen om naar New York te gaan zijn het voorjaar en de herfst. De zomer kan er ondraaglijk warm en benauwd zijn.

Genoemde tuinen die de moeite waard zijn: Brooklyn Botanic Garden: 1000 Washington Avenue, Brooklyn

Frick Collection:

1 East 70th Street

New York Botanical Garden: 200th Street and Southern Blvd., Bronx

Wave Hill: 675 West 252nd Street,

Riverdale, Bronx

Naast deze tuinen zijn er nog zeker honderd andere die voor het publiek geopend zijn - van Japanse tuinen tot tuinen vol moderne kunst en namaak-middeleeuwse kloostertuinen. Informatie bij de Horticultural Society of New York, 128, West 58th Street. 212-757-0915

    • Romke van de Kaa