Schijnbaar verdwenen en nooit gestraft

De communisten die het tien jaar geleden nog voor het zeggen hadden in Centraal- en Oost-Europa zijn in naam verdwenen. Maar in de `sociaal-democratie' hebben velen van hen een nieuw onderdak gevonden.

WAAR ZIJN DE MILJOENEN trouwe kameraden gebleven die op de eerste mei en bij de jaarlijkse viering van de Oktoberrevolutie door de straten van de Oost-Europese hoofdsteden defileerden?

Waar zijn de oorlogsveteranen, de fabrieksmeisjes en de schoolkindertjes met hun rode doekjes? Waar zijn de grijze partijbonzen met hun uitdrukkingsloze gezichten?

Tien jaar na de val van de communistische machthebbers lijken de communisten opgelost in het niets. Wie vandaag de dag een communist zoekt, kan zich een bezoek aan de gevangenis besparen. Achter de tralies zijn ze zeker niet te vinden.

Op een enkele Bulgaarse oud-kampcommandant of een enkele ex-grenswacht in de DDR na is er nooit iemand veroordeeld voor misdaden begaan tijdens de jaren van het communisme.

Op bijeenkomsten van de tegenwoordige sociaal-democratische partijen van het voormalige Oostblok zie je nog wel eens een enkele rode vlag, in de regel gedragen door voormalige partijleden die protesteren tegen hun magere pensioentjes en ander onrecht dat het kapitalisme over hen uitstort.

Wie in Hongarije op zoek is naar het echte, onvervalste communistische sentiment moet naar het Szoborpark even buiten Boedapest. Op een winderige heuvel staan daar de laatste afbeeldingen van Marx en Lenin, de Hongaarse arbeidershelden en van onverschrokken Sovjet-soldaten met wapperende vlaggen.

Een klein sanctuarium voor de symbolen van het verleden dat op de gemiddelde Hongaar van nu even merkwaardig overkomt als op de bezoekende middelbare schoolklas uit Nederland. Met uitzondering wellicht van de Nederlandse leraar die mogelijk nog warme gevoelens koestert over zijn eigen `linkse' jeugdjaren.

De communisten van het voormalige Oostblok zijn vanaf 1990 verrassend snel verdwenen. Tenminste in naam.

De Hongaren waren de eersten die hun communistische partij (Hongaarse Socialistische Arbeiderspartij MSzMP) oude stijl ontbonden. Dat gebeurde al ruim voor de val van de Muur in Berlijn op het dertiende en laatste congres van de partij. Het was een logisch gevolg van de hervormingen binnen de partij zelf. Rondetafelbesprekingen hadden net als in Polen een einde gemaakt aan het eenpartijstelsel. De Hongaren die al jaren hun eigen weg gingen met economische hervormingen, hadden hun onafhankelijkheid van Moskou niet alleen op papier maar ook in de praktijk getest door in de zomer van 1989 persoonlijk het IJzeren Gordijn open te knippen en honderden Oost-Duitsers `vrij te laten'.

Een groot deel van de Hongaarse communisten vond op 7 oktober 1989 onderdak bij de Hongaarse Socialistische Partij (MSzP). Een partij die praktisch uitsluitend uit voormalige communisten bestond, maar zich desalniettemin nadrukkelijk van het verleden distantieerde. De MSzP ziet zich politiek gezien als opvolger noch als erfgenaam van de oude communistische partij maar als `een democratische linkse partij'.

Ook in Polen voltrok de revolutie zich aan een rondetafel, maar daar duurde het tot februari 1990 voordat de Poolse Verenigde Arbeiderspartij – de communistische partij dus – herdoopt werd. Ook hier gingen de communisten onder de naam van sociaal-democraten verder in wat de Sociaal-Democratie in de Republiek Polen, ging heten. Een jaar later werden zij onderdeel van de Alliantie van Democratisch Links (SLD) een electoraal verband dat recentelijk de status van politieke partij heeft aangenomen.

De postcommunistische sociaal-democraten in Polen en Hongarije komen uit een heel andere traditie dan de sociaal-democraten in Tsjechië voort. Daar stamt de sociaal-democratische partij formeel uit 1878. In 1948 werd ze gedwongen samen te gaan met de communisten. Zodra de fluwelen revolutie dat in november 1989 mogelijk maakte, richtten de Tsjechische sociaal-democraten – die voor een belangrijk deel naar het buitenland waren gevlucht – hun eigen partij opnieuw op.

De sociaal-democratie bood hier in eerste instantie geen uitweg voor de dakloze communisten. De Communistische Partij van Tsjechoslowakije ging vanaf 1991 gewoon verder onder de naam Communistische Partij van Bohemen en Moravië (KSCM). Een obscuur groepje diehards dat aanvankelijk door niemand serieus werd genomen, maar bij de laatste opiniepeilingen met bijna een kwart van de stemmen nominaal de grootste partij van de Tsjechische republiek blijkt te zijn.

Op Tsjechië na zijn de communisten in Centraal- en Oost-Europa voor het grootste deel verdwenen in de sociaal-democratie, of iets wat daar in naam op leek. Dat had deels te maken met overtuiging en ideologie, maar vooral ook met het veiligstellen van belangen. Bij de eerste vrije verkiezingen na 1989 verdwenen de communisten, of ze nu sociaal-democraten heetten of niet, zonder uitzondering naar de marge. In Polen ging Solidariteit regeren, in Tsjechoslowakije kwam het Burgerforum aan de macht, in Hongarije vormde het Hongaarse Democratisch Forum een regering. Allemaal groeperingen die waren voortgekomen uit het anticommunistische verzet.

In de eerste euforie over het democratisch pluralisme en de aanstaande vrijemarkteconomie leek de rol van `links' uitgespeeld. Sterker nog, de voormalige communisten moesten op hun tellen passen. De roep om vergelding of ten minste genoegdoening werd steeds sterker. Vele miljoen Polen, Tsjechen, Slowaken, Hongaren, Bulgaren, Roemenen, Albanezen en Joegoslaven waren slachtoffer geweest van de communistische dictatuur. Het ergste leed had zich in de jaren vijftig afgespeeld tijdens het stalinisme. Maar ook daarna waren mensen vervolgd wegens hun overtuiging, geloof of nationaliteit. De respectievelijke maatschappijen konden niet verder zolang de voormalige beulen nog op vrije voeten liepen laat staan overheidsfuncties vervulden, was het gevoel.

Het parlement van Tsjechoslowakije nam in oktober 1991 de beruchte lustratiewet aan. Iedereen die een toppositie vervulde bij de overheid, het onderwijs dan wel in het bedrijfsleven, werd `tegen het licht gehouden'. Wie contacten had onderhouden met de geheime dienst of bepaalde partijfuncties had bekleed werd voor vijf jaar uitgesloten.

Deze ongetwijfeld goedbedoelde poging om af te rekenen met het verleden werd een drama. Archiefstukken verdwenen en mensen werden beschuldigd van samenwerking met de communisten op basis van onvolledige informatie, zoals in het geval van de tegenwoordige (sociaal-democratische) minister van Buitenlandse Zaken Jan Kavan.

Grote vissen werden niet gevangen en de Tsjechische lustratie werd al snel bekend als voorbeeld van hoe het niet moest.

De Polen kozen een andere weg, althans de toenmalige premier Tadeusz Mazowiecki. Hij besloot al in 1989 een dikke streep te zetten onder het communistische verleden en zijn communistische gesprekspartners aan de rondetafel niet verder op de huid te zitten. Ook dat werd geen succes. De omgang met het verleden is tot op de dag van vandaag een beladen en vooral ook splijtende politieke kwestie in Polen. Iedere nieuwe regering schrijft zijn eigen hoofdstuk in deze. Onlangs nog lag er in Warschau opnieuw een wetsontwerp op tafel om het land te `decommuniseren'. Het voorstel haalde het ook deze keer niet.

In heel Midden- en Oost-Europa is echter duidelijk dat de omgang met het verleden een politiek zeer gevoelige zaak blijft. Tien jaar zijn niet genoeg om de wonden te helen.

Merkwaardig genoeg blijkt het praktische politieke geheugen van de kiezers veel korter. Na de eerste euforie over het vertrek van de communisten volgde de pijn van de overgang naar een vrijemarkteconomie. Arbeiders begrepen niet waarom ze hun banen verloren, gepensioneerden niet waarom ze van hun zuur verdiende pensioenen niet konden rondkomen. Het sociale vangnet van drie jaar zwangerschapsverlof, gratis gezondheidszorg, lage huren, vakanties betaald door de vakbond enz. was in één klap verdwenen.

Nostalgie naar de verzorgingsstaat bracht in Polen links al in 1993 terug aan de macht. In 1995 kozen de Polen zelfs de voormalige communist Aleksander Kwasniewski tot hun president. In Hongarije keerden de voormalige communisten in 1994 terug in de regering. Gyula Horn, in 1956 actief betrokken bij de strijd tegen de anticommunistische opstandelingen, werd minister-president. De Bulgaren verkozen korte tijd later de jeugdige ex-communist Zjan Videnov boven de eeuwig kibbelende democraten.

De `slinger' werd het kenmerk van de politieke overgang in Midden- en Oost-Europa. Perioden van hervormingen onder leiding van mensen als de Poolse minister van Financiën Balcerowicz werden afgewisseld met de terugkeer van de voormalige communisten.

Zelfs de Tsjechen hebben in 1998 ten langen leste afscheid genomen van hun overgangsgoeroe Václav Klaus. De sociaal-democraat Miloš Zeman is een machteloze tussenpaus, terwijl de orthodoxe communisten van Bohemen en Moravië zich langs democratische weg voorbereiden op een nieuwe hoofdrol.

    • Renée Postma