Rotsen, meeuwen en drank

De Faeroer-eilanden zijn ver weg. Het leven is er duur en de natuur hard. Waarom zouden we er naar toe gaan? Een poging antwoord te geven.

Tussen Schotland en IJsland liggen achttien eilanden die in de atlas onder de naam Faeroer staan vermeld. De geografische ligging van deze Deense archipel maakt een aantal zaken duidelijk. Ter hoogte van de 62ste noorderbreedtegraad waait en regent het bijna altijd. Het woeste landschap en het woelige zeewater lopen als een grijze schaduw in elkaar over. De temperatuur van de Atlantische Oceaan overstijgt nooit de twaalfgradengrens. Maar de prijzen zijn oververhit en vertonen Scandinavische trekjes.

Wie bij de autoverhuur op het vliegveld voor twee dagen een gammele boodschappenwagen huurt, betaalt met kromme tenen een bedrag van zeventienhonderd Deense kronen, ruim vijfhonderd gulden. Maar de autoverhuurder blijkt flexibel genoeg om dit astronomische bedrag in een handomdraai fors te verlagen. ,,Wij willen de toeristen niet afschrikken. Er komen toch al zo weinig mensen uit het buitenland'', verklaart de blonde dame achter het loket. Naar schatting duizend toeristen per jaar bezoeken de Faeroer per boot of per vliegtuig.

Wie of wat drijft een mens naar deze uithoek van Europa, waar ogenschijnlijk weinig gebeurt en nog minder bezienswaardigheden zijn? Bloemen zijn zeldzaam. Meeuwen en spreeuwen maken veel lawaai, maar hebben op de gemiddelde vogelaar weinig aantrekkingskracht. Op de zuidelijk gelegen eilanden broeden papagaaiduikers, maar voor een bezoek aan deze vogels met oranje snavel en zwart-witte veren is een lange boottocht vanuit de hoofdstad Thorshávn noodzakelijk.

Het zijn de leegheid en de ruigheid die de Faeroer zo aantrekkelijk maken. Rotsen en golven, vissen en schapen, lichte en zware alcohol: veel meer heeft een avontuurlijk ingestelde vakantieganger niet nodig. De Faeroer lenen zich bij uitstek voor wandeltochten. De binnenwegen zijn niet geasfalteerd en worden nauwelijks bereden door gemotoriseerd verkeer. Een speciale wandelkaart blijkt moeilijk verkrijgbaar, maar eenmaal onderweg blijkt dit hulpmiddel ook niet nodig. Verdwalen is onmogelijk op de Faeroer. De meeste eilanden zijn niet groter dan Schiermonnikoog en de vergezichten vanaf het middengebergte worden nergens belemmerd door bossen of struiken.

De aaneenschakeling van krijtrotsen kunnen een vergelijking met Calais of Dover moeiteloos doorstaan. In elke baai ligt een schilderachtige vissersplaats met zwarte boten, witte woningen en groene kunstgrasvelden, want het gras groeit te langzaam om een mooi speelveld te garanderen. Bijna elk dorp heeft zijn eigen voetbalclub. Groener dan groen daarentegen zijn de daken van huizen die bezaaid liggen met een dikke laag gras. Deze goedkope vorm van isolatie geeft de dorpjes een karakteristieke aanblik.

De 45.000 inwoners van de Faeroer leiden voor het merendeel een solitair bestaan. Een verdwaalde wandelaar die we tegemoet rijden, lijkt rechtstreeks weggelopen uit een film van Tarkovski. Een doorweekte fietser die we een paar uur later tegenkomen, zoekt tevergeefs naar een schuilplek. In de binnenlanden staan geen huizen. In de supermarkten hullen de kustbewoners zich in stilzwijgen. Vragen worden correct maar een tikje nors beantwoord. Het bureau van toerisme heeft duidelijk meer belang bij pottenkijkers dan de gemiddelde inwoner van de Faeroer.

De havens maken zelfs in de zomermaanden een uitgestorven indruk. Het plaatselijke café ontbeert de gezelligheid die Ierse en Schotse pubs kenmerken. Voor een warme hap duikt de ober in de vrieskist. Verse groenten zijn bijna nergens te krijgen. Voor een koele drank is de bezoeker aangewezen op Deens bier of een eigen brouwsel. Alcoholisme viert hoogtij op de Faeroer. Het sombere weer en de geïsoleerde ligging vormen een goed excuus voor bovenmatig drankgebruik.

Alleen in Thorshávn, het politieke en culturele centrum, is sprake van een uitgaansleven. Voornamelijk blonde en roodharige jongeren lopen met grote flessen bier over straat. Maar verwacht ook hier geen carnavaleske sferen. De pitbullsmokings zijn in de minderheid. Duitse of Nederlandse touringcars zijn nergens te bekennen. Thorshávn telt twee hotels, die tijdens ons verblijf worden bezocht door Scandinavische zakenlieden.

De bewoners van de Faeroer spreken hun eigen taal, een mengelmoesje van Schots en IJslands. Ze spreken ook vloeiend Deens en verstaanbaar Engels. Maar het liefst lopen ze stilletjes over straat. Ze leven van de visserij, de schapenteelt en de olieboringen. Ze stemmen volgend jaar over onafhankelijkheid. Het Deense moederland laat de keuze aan de eilandbewoners. Volgens een recente opiniepeiling zijn de kansen fifty-fifty.

Voorlopig blijft de onafhankelijkheid beperkt tot de inbreng van een eigen voetbalelftal, dat zijn thuiswedstrijden speelt in een krakkemikkig stadionnetje in een buitenwijk van Thorshávn. Vanaf de veredelde perstribune – een paar houten planken – heeft de toeschouwer een prachtig uitzicht over de Atlantische Oceaan. Het elftal van de Faeroer bestaat niet langer uit vissers, schapenhoeders of olieboorders. De meeste internationals staan tegenwoordig onder contract bij een Deense of Noorse club. Tot goede resultaten heeft het professionalisme nog niet geleid. Met drie punten uit tien kwalificatieduels hebben de Faeroer zich niet weten te plaatsen voor Euro 2000.

De Faeroer zijn per boot te bereiken vanaf Schotland (Aberdeen), IJsland (Seyoisfjorour), Noorwegen (Bergen) en Denemarken (Esbjerg). De vaartijd bedraagt minimaal acht uur. Per vliegtuig is Denemarken de meest logische tussenstop. Er gaan lijndiensten vanaf Kopenhagen en Billund. De reistijd duurt ongeveer twee uur. Vanaf Reykjavik is het ongeveer een uur vliegen naar de Faeroer.

    • Jaap Bloembergen