Rijksacademie

De Profiel-bijlage (NRC Handelsblad, 28 oktober) was gewijd aan de Rijksacademie van beeldende kunsten. Nico Vroom werd kort herdacht in het artikel: `Jarenlang, hopeloos ouderwets'. Het is triest dat Nico Vroom zelfs na zijn dood in 1995 blijft herinnerd als bekrompen man.

Van meet af was zijn benoeming tot hoogleraar-directeur, te danken aan KVP'er Jo Cals, omstreden. Vrij Nederland schreef woedend hoe KVP-minister Jo Cals het durfde een katholiek uit een naar het kapitalisme stinkend geslacht op zo'n progressieve post te benoemen. Vroom trachtte, naar eigen zeggen `het oude en ingeslapen instituut' nieuw leven in te blazen. Hij richtte de afdeling scenografie op die begon te experimenteren met videokunst. Het was niet gemakkelijk. Vroom vond diverse partijen tegenover zich, zowel binnen als buiten het instituut. Zijn eigen professoren verzetten zich soms hardnekkig tegen zijn beleid. Hij kon binnenshuis niet altijd een meerderheid halen. Ik weet van tenminste drie kunstenaars, nadrukkelijk in het NRC besproken, die sneuvelden op het verzet van de hoogleraren. Vroom liet tenslotte wel Hans Erni uit Zürich naar Amsterdam te halen om de afdeling Grafiek nieuw leven in te blazen. De hoogleraar Kuno Brinks had in die tijd maar een leerling omdat `hij de gravure de enige verantwoorde grafiek' vond. Vroom begon ook een faculteit voor visuele vormgeving en stelde Sem Harz aan, Van Tricht en Eric Thorn Leeson. Hij werd daarbij geadviseerd door het Royal College in Londen, toch niet de minste instelling.

De grens van het conflict waar hij tenslotte werd opgezogen, lag ergens tussen Moskou, Peking en Washington. Vroom was weinig geliefd in links Amsterdam. Tot groot ongenoegen organiseerde hij tentoonstellingen van Amsterdamse kunstenaars in de Rietveldzalen van het Stedelijk, exposities die de directie niet wilde organiseren. De oorlog kwam pas echt goed op gang toen Vroom werd benoemd tot regeringscommissaris voor de Biënnale van Sao Paolo. Op twee manieren werd Vrooms benoeming een bittere teleurstelling voor hem. Enerzijds ontdekte hij dat internationale tentoonstellingen cultuurpolitieke doeleinden dienen. Het internationale kunstforum was politiek, en prijzen werden niet zelden afgesproken tussen machtige landen en commissarissen. Anderzijds gingen benoemingen vooral over de vraag: `wie komt uit wat voor netwerk, en is hij rechts of links?' Zuur was voorts zijn ontdekking dat kunscritici en beleidsmakers koopbaar waren. Vroom verzette zich, toen ik hem begin jaren negentig leerde kennen, heftig tegen iedere criticus die gewiekst verzamelaar en kunsthandelaar wilde zijn. Als zo iemand hem voor de voeten liep dan was hij niet mals.

Vroom had het ongeluk te zijn geboren in een rijk ondernemersgeslacht in een tijd dat dit absoluut niet kon. Dat hij contacten onderhield met katholieke politici en werkgeverskringen maakte het er alleen maar erger voor hem op. Het is jammer dat dit ideologische beeld is blijven hangen.

    • Oscar Laurens Schrover