Onbarmhartige maatschappij

Gaat het tien jaar na de val van het communisme nu beter in de landen van Centraal- en Oost-Europa? Is de bevolking er materieel beter van geworden? Bij velen overheerst het gevoel dat ze er niet aan te pas komen.

DE STRAATHONDEN van Boekarest weten feilloos warme plekjes te vinden. Ontspannen liggen ze in de trappenhuizen van de flats die verwarmd worden. In de lauwwarme gangen laten ze loom bezoekers passeren. Ze zijn er immers niet om de wacht te houden, de honderden straathonden die sinds het Ceausescu-tijdperk door de straten van Boekarest zwerven. Ze houden zichzelf slechts in leven.

Voor veel Roemenen zal het deze winter moeilijker worden om een warm plekje te vinden. De energierekeningen zijn zo hoog opgelopen dat een groot deel van de bevolking de stadsverwarming bij voorbaat laat afsluiten. Liever zitten ze met dikke jassen en truien in een kamertje bovenop elkaar, dan dat ze gedonder met de buren krijgen. Eén wanbetaler kan al aanleiding zijn om een hele flat af te sluiten. En potentiële wanbetalers zijn er genoeg.

Tien jaar na de val van het communisme hebben de Roemenen dan ook weinig reden tot vrolijkheid. Het land is nog altijd straatarm, de economie sleept zich voort, banken balanceren op de rand van een faillissement, sociale zekerheid is er niet. De Roemenen hebben alles geprobeerd, eerst onder leiding van de voormalig communist Ion Iliescu en vervolgens onder de centrum-rechtse leiding van Emil Constantinescu.

Militair waren ze er rijp voor, maar de NAVO wilde de eerste uitbreidingsronde beperken en daarom vielen de Roemenen buiten de boot. Europa lijkt verder weg dan ooit, ook al zal de Europese Unie straks op de top in Helsinki besluiten met alle associatielanden, dus ook Roemenië, onderhandelingen over de toetreding te beginnen.

Het is een verre droom. Wat telt is dat een Roemeen zonder visum Europa niet binnenkomt. En als de computer nee zegt, blijft het nee. Ook al maakt de computer een fout, zoals in het geval van een jonge student journalistiek uit Cluj die per ongeluk op een zwarte lijst kwam. Hij krijgt de ene uitnodiging na de andere uit het Westen om workshops bij te wonen over democratie, vrije media en wat dies meer zij. Maar hij komt niet door de onzichtbare muur die zijn wereld scheidt van de onze.

Toch zijn er in Roemenië en ook in Bulgarije – dat eveneens buiten de Europese boot is gevallen – tal van jongeren die zich wel een weg weten te banen naar het Westen. Meestal via geld en corruptie. De boodschap is duidelijk: wie zich aan de regels houdt is een sukkel. En zo zoeken steeds meer jongeren een eigen uitweg daar waar de democratische maatschappij faalt.

Tien jaar na het einde van het communisme gaat het nog niet echt goed met Centraal en Oost-Europa. Het gevoel van onzekerheid blijft en de politiek heeft geen antwoord. De maatschappelijke gaten in de gezondheidszorg, het onderwijs en de oudedagsvoorziening worden steeds groter. Verwonderlijk is het daarom niet dat steeds meer mensen wegblijven bij verkiezingen. De opkomst daalt gestaag.

Toch is er de afgelopen jaren ook enorm veel bereikt en in Polen, Tsjechië en Hongarije – landen die nu al met de EU over toetreding onderhandelen – is men zich daar ook terdege van bewust.

In Polen is de koopkracht van de burger op dit moment hoger dan hij ooit geweest is, ook de Tsjechen zijn over het algemeen genomen beter af dan tien jaar geleden. De Hongaren halen dit jaar net weer het niveau dat ze in 1989 hadden. Maar zij hadden het relatief toen ook al het beste dankzij het goulashcommunisme dat een beperkte vorm van vrijemarkteconomie toeliet.

De koopkracht van de Centraal-Europese koplopers is duidelijk te zien aan de hypermarkten en de winkelcentra die rond Warschau, Praag, Brno, Boedapest en Kraków uit de grond schieten. Hypermoderne plaza's met op alle hoeken geldautomaten om de hongerige consument verder te helpen. Met inkomens van op zijn best tegen de duizend gulden per maand heeft de gemiddelde consument hier weinig te zoeken. Maar toch zijn de moderne koopcentra barstensvol.

De consumenten leren vlot omgaan met bankleningen en creditcards. In Polen is het aantal creditcards in de eerste helft van dit jaar met ruim 88 procent gestegen.

Ook op de wegen van Centraal-Europa laat de consument een ander gedrag zien. Trabantjes, Wartburgs en Lada's maken langzaam plaats voor Opel, Daewoo en andere auto's die tegenwoordig in de regio geassembleerd worden

Loodvrije benzine is nagenoeg overal te krijgen en op veel plaatsen zelfs verplicht. De benzineprijzen groeien steeds dichter naar een West-Europees niveau toe. De consumenten kunnen het zich blijkbaar veroorloven.

Hetzelfde geldt voor de huizenmarkten in de grote Midden-Europese centra. Een groeiende middenklasse jaagt de prijzen van de huizen steeds verder op.

De vraag of de inwoners van Centraal- en Oost-Europa tien jaar na de val van het communisme ook gelukkiger zijn is bijna niet te beantwoorden. De verontwaardiging over de oude lerares die een leven lang voor de klas heeft gestaan en nu een staatspensioen krijgt waar ze niet eens het licht van kan betalen, is groot.

Net als de zorg om de georganiseerde misdaad die een belangrijk deel van de maatschappij lijkt te hebben overgenomen. Afrekeningen in de straten van Boedapest hebben wellicht iets filmachtigs, maar de harddrugs die gepusht worden op de middelbare scholen van Praag hebben dat niet. Groeiende sterftecijfers in een groot deel van de regio duiden op een afnemende vitaliteit.

De overgang naar een vrijemarktdemocratie duurt langer en kost meer pijn dan velen tien jaar geleden gedacht hadden. ,,Ik zal het niet meer meemaken, misschien mijn kinderen, maar waarschijnlijk pas mijn kleinkinderen'', is het standaardantwoord op de vraag wanneer het beter zal worden.

En dan hebben we het nog niet eens over de paar miljoen zigeuners die de afgelopen jaren tot bittere armoede zijn vervallen. Zij hadden onder het communisme nominale banen waar ze tenminste nog een beetje geld voor kregen. Met de intocht van de vrije markt kwamen ze als eerste op straat te staan. Een groot deel van hen is in een vicieuze cirkel geraakt van armoede, misdaad en racisme. De muur die dezer dagen in het Tsjechische Ústí nad Labem werd opgetrokken om een zigeunerflat van de rest van de wijk te scheiden, is een schrijnend gevolg.

Wie niet echt voor zichzelf kan zorgen is in het nieuwe Centraal en Oost-Europa in een onbarmhartige maatschappij terechtgekomen.

Het lonkend perspectief van een welvarende Europese Unie is voor velen een vage droom geworden. Een nachtmerrie zelfs, zoals voor de Poolse keuterboeren die zich rechtstreeks in hun bestaan bedreigd zien als ze aan de EU-normen moeten gaan voldoen.

Ook de sluiting van zware industrie en kolenmijnen wordt door de burger ervaren als opgedragen door Brussel en tégen het eigen belang.

Het enthousiasme over toetreding tot de Unie is in Polen dan ook tot een historisch dieptepunt gedaald. Minder dan de helft van de Polen ziet het, volgens opiniepeilingen, nog zitten. De populist Andrzej Lepper is een van de weinigen die daar garen bij spinnen. Als leider van de ontevreden Poolse boeren weet hij steeds meer mensen op de been te krijgen. Volgend jaar wil hij een greep doen naar het Poolse presidentschap.

De gevoelens over de EU zijn een interessante barometer. Sociale zorgen, nationale gevoelens en vragen over de eigen soevereiniteit spelen hier dwars door elkaar heen. Daarbij komt dat weinig burgers echt op de hoogte zijn van wat het toetredingsproces precies inhoudt, laat staan hoe ver het gevorderd is.

In Slowakije is het enthousiasme voor de Unie op dit moment het grootst. Dit land viel onder de vorige premier, Vladimír Meciar, om politieke redenen uit de boot en mocht niet meedoen in de eerste uitbreidingsronde. De regering van zijn opvolger Mikulaš Dzurinda heeft er inmiddels alles aan gedaan om de wereld te overtuigen van het democratisch gehalte van Slowakije. Op de aanstaande top van de EU in Helsinki zal Slowakije alsnog worden uitgenodigd voor toetredingsonderhandelingen.

De Slowaken, die thuis juist worden geconfronteerd met een keihard bezuinigingsbeleid, hebben de vage hoop dat ze er op korte termijn beter van worden.

Maar steeds meer Polen, Hongaren en Tsjechen beginnen die hoop op te geven. Zowel in Hongarije als in Tsjechië schommelt het positieve gevoel voor het lidmaatschap van de EU even boven de 50 procent.

Een eventueel referendum over de uiteindelijke toetreding biedt politiek gezien interessante mogelijkheden. In Tsjechië wil ruim 70 procent van de mensen dat er eerst een referendum komt voordat er echte stappen worden ondernomen. De machteloze premier Zeman (sociaal-democraat) heeft daar wel oren naar.

Ook in andere toekomstige lidstaten wint deze gedachte terrein. Tien jaar na de val van de Muur hebben veel mensen het gevoel dat ze er eigenlijk helemaal niet meer aan te pas komen.

    • Renée Postma