NIEUWE LANDEN

Sinds de val van de Muur is het politiek-staatkundige landschap in Oost-Europa en Centraal-Azië ingrijpend veranderd: landen verdwenen, andere ontstonden. Joegoslavië viel uiteen. Op 25 juni 1991 riepen Slovenië en Kroatië de onafhankelijkheid uit. Macedonië volgde op 15 september van datzelfde jaar, Bosnië-Herzegovina scheidde zich op 9 januari 1992 af. In alle gevallen waren deelrepublikeinse referenda over de onafhankelijkheid aan die afscheidingen voorafgegaan. In drie van de vier nieuwe republieken ontketende het Joegoslavische leger een oorlog, in Kroatië en Bosnië bijgestaan door lokale Serviërs. Alleen Macedonië bleef rustig.

1991 was ook het jaar waarin de Sovjet-Unie ophield te bestaan. President Gorbatsjovs pogingen om tot een nieuw unieverdrag te komen, met nieuwe afspraken tussen de Sovjet-republieken en Moskou, liepen stuk en de communistische coup tegen Gorbatsjov zette de zaken op scherp. Jeltsin nam de zaak over. Hij besloot, met zijn collega's van Wit-Rusland en de Oekraïne, om een eind te maken aan de USSR. De Sovjet-Unie telde vijftien Sovjet-republieken. In december 1991 waren ze alle vijftien onafhankelijk. Later kwam het tot de vorming van een Gemenebest van Onafhankelijke Staten (GOS), waaraan twaalf van de vijftien nieuwe republieken deelnamen, maar waarvan de praktische betekenis gering is gebleven.

Twee jaar later viel ook Tsjechoslowakije uiteen, in een `fluwelen scheiding', de apotheose van een jarenlange poging van de Slowaken om meer zeggenschap te krijgen. Uiteindelijk werden de Tsjechen daar zo moe van dat ze de Slowaken – min of meer tegen hun zin – de onafhankelijkheid opdrongen.

Eén land maakte een deling ongedaan. Een jaar na de val van de Muur hield de DDR op te bestaan. Op 3 oktober 1990 ging zij op in de Duitse Bondsrepubliek.