Landschap van woorden

Geen grens zo diffuus en ongrijpbaar als een grens die louter talen scheidt. Ooit kwam de scheidslijn tussen het Vlaams en het Waals bijna dagelijks in

het nieuws. Vechtpartijen en demonstraties markeerden de tongenstrijd in België. Nu is

een reis langs de taalgrens, die loopt van Duinkerken tot Aken,

een vredige tocht door een prachtig landschap.

Op een dag was het Comité voor Frans Vlaanderen langsgekomen en had een nieuw naambord aan de gevel gespijkerd. Café à l'Haguedorne was vanaf dat moment officieel tweetalig en heette voortaan, in goed Nederlands, ook Herberge Hagedoorne. Opdat een ieder zou weten dat het Vlaams hooggehouden werd in dit etablissement in Zeegerscapel, in de uiterste noordwesthoek van Frankrijk. Alsof `haguedorne' niet Vlaams genoeg was.

Het comité had ook nog een Vlaamstalig bord willen timmeren op de tegenovergelegen kapel van Notre Dame, maar daar hadden ze in het café toch een stokje voor gestoken. Wel had het comité nog een sticker op de deur van L'Haguedorne mogen plakken, met de tekst 't es schoone Vlaemsch te klappen, de taele van mijn voorouders. En een affiche aan de muur mogen hangen waarop Nederlandse les wordt gepropageerd. Of preciezer: een `version moderne du dialecte flamand de France'.

Niet dat er sindsdien veel veranderd is in café à l'Haguedorne. De mannen die in de morsige gelagkamer bier en sterke koffie drinken uit vieze glazen, spreken nog steeds Frans. O zeker, ze kúnnen het wel, Vlaams, en ze weten precies wie in het dorp het Vlaams nog machtig is, maar Frans blijft toch de grootste gemene deler. Het is de schuld van de overheid, vinden ze. Die heeft het Vlaams op de scholen verboden. Decennia geleden al kregen ze straf als de onderwijzer een ton op het bord tekende en je zei dat het een `kuppe' was, herinneren ze zich. Vlaams, dat was iets voor thuis.

Reizen over de taalgrens tussen Vlaams en Frans is zoeken, aftasten, een beetje naar links, een stukje naar rechts. Nergens borden, nergens grenspalen. De Frans-Vlaamse taalgrens loopt door weilanden, over heuveltoppen, onder prikkeldraad door, snijdt dorpen doormidden, splijt families, levert enclaves op, verbroedert, doet glimlachen. En dat van Duinkerken tot aan Aken.

De eerste bevindingen van de taalgrensqueeste zijn ontmoedigend. Frans Vlaanderen blijkt net zo Frans als de rest van Frankrijk, met zijn talloze rues Charles de Gaulle en Places de la République. In Looberghe heet de slagerij gewoon boucherie, verkoopt de bloemenwinkel fleurs en zijn huizen `à vendre'. Alsof er geen taalgrens bestaat. Alleen de koeien zijn zwart-bont. We proberen het nog in Bollezeele, Noordpeene, Volckerinckhove en l'Erkelensbrugge. Tevergeefs. De pompstations verkopen essence, de `train peut en cacher un autre' en verkeersborden en lantaarnpalen zijn het propagandadomein van het Front National. Zoals overal in Frankrijk.

Maar in Zeegerscapel is het raak: de rue Morseley heeft twee straatnaambordjes! En de rue Verte heet tevens Groene Straete. In Zermezeele staat bungalow De Eendracht en in Cassel vermeldt de menukaart van het plaatselijke restaurant Pot'je vleesch, waterzoi de poulet en Tarte `Vlaamse' du Jour.

De Vlaamse sporen zijn deels te danken aan de inspanningen van het comité voor Frans Vlaanderen, deels authentieke restanten uit een ver verleden, toen deze streek nog tot Vlaanderen behoorde. Willem III moest het gebied in het Verdrag van Nijmegen (1678) definitief afstaan aan Frankrijk. Nog generaties lang bleven de bewoners van de streek Vlaams spreken, tot de overheid er langs onderwijskundige weg een einde aan maakte.

Wie wil, ziet de gunstige tekenen: de molens van Steenvoorde zijn onlangs gerestaureerd en Radio Uylenspiegel verzorgt Vlaamstalige uitzendingen. Minder romantische geesten voorspellen de ondergang. ,,Nog één generatie en het is afgelopen met het gebroken Nederlands'', zegt de pomphouder net over de grens bij Loker. ,,Alleen de 70-plussers spreken het nog.''

De 250 kilometer lange taalgrens voert over een lange reeks heuveltoppen, te beginnen bij de Casselberg, vanwaar zeven voormalige Romeinse heirwegen het landschap nog altijd in kolossale taartpunten verdelen; langs St Jans Cappel, dat een bescheiden museum heeft ingericht voor de Franse schrijfster Marguerite Yourcenar die in deze contreien werd geboren en die bij zichzelf `la lente tongue flamande' bespeurde; door het boerenland van Stijn Streuvels, dat dankzij de puntige populieren Toscaanse trekjes heeft; dwars door de Scheldevallei. Nergens een spoor van het afgebladderde landschap waarmee het zuiden van België zo vaak wordt geassocieerd.

Bij de Kemmelberg, net over de Frans-Belgische grens, verwijst een bordje naar een massagraf. Een massagraf? Met een bordje erbij? Het blijkt allemaal mee te vallen. Het gaat om een kleine militaire begraafplaats uit de Eerste Wereldoorlog. Interessanter zijn de vele Engelse boerderijkerkhofjes in deze streek, met namen als Packhorse Farm Shrine Cemetary, St. Quentin Cabaret Military Cemetary en La Plus Douve Farm Cemetary; keurig gemaaide lapjes weiland te midden van mestvaalten, koeien en koolvelden. De grond werd na de Eerste Wereldoorlog door dankbare boeren afgestaan aan de Britten om hun doden te begraven.

Het tweetalige leven speelt zich meestal af in harmonie. Zoals op de Kluisberg, bezaaid met hotels, restaurants en villa's en op zonnige dagen een geliefd oord bij bejaarden. Alleen in hete zomers, als water schaars is, wil er op de berg wel eens gekibbeld worden wie het meeste verbruikt, de Walen of de Vlamingen.

Tot de taalwet van 8 november 1962, die de taalgrens definitief vastlegde, was de Kluisberg Vlaams. Het principe van de wet was simpel: gemeenten met meer dan vijftig procent Franssprekenden behoorden voortaan tot Wallonië, de rest tot Vlaanderen. Tientallen steden en dorpen werden overgeheveld: 24 naar Vlaanderen, 25 naar Wallonië. Komen (Comines) en de Voerstreek (Fourons) werden enclaves: Komen een stukje Wallonië in Vlaanderen, de Voerstreek een strookje Vlaanderen in Wallonië. Gemeenten met meer dan 30 procent anderstaligen kregen `faciliteiten': tweetalige naamborden voor straten en openbare gebouwen.

De Kluisberg werd door de taalwet in tweeën gespleten: de ene kant van de weg werd Vlaams, de andere Waals. Je moet het weten, want zien doe je het niet. Aan de Vlaamse zijde heten de horecabedrijven L'Orangerie en La Sablière, aan de Waalse kant liggen `t Kluizeke en Gasthof Palace. Taalkundig is het leven in dit weelderige heuvelland sowieso verwarrend: bij veelvuldig gebrek aan bordjes dient de taalgrensreiziger zelf te bedenken dat Flobecq hetzelfde is als Vloesberg, dat Ronse synoniem is voor Renaix is en dat Russeignies niets anders kan zijn dan Rozenaken.

Ter hoogte van Brussel loopt de taalgrens dwars door het Zoniënwoud: doorkliefd door autowegen en bezaaid met villadorpen, maar verder prachtig. Hier, midden in een beukenwoud, pal op de taalgrens bij Ukkel/Uccle, ligt het meest bijzondere oorlogsmonument van België. Ter nagedachtenis aan de in de Eerste Wereldoorlog gesneuvelde boswachters is hier een soort miniatuur-Stonehenge opgericht. Een tiental menhirs met in het midden een ereboog. Er zijn meer dingen die opvallen in dit woud: Jezus-Eik heet in vertaling Notre Dame au Bois en er is een zonnestudio waar je bruin wordt of je geld terugkrijgt.

Wat volgt zijn de valleien van de IJse en de Dijle: charmante dorpjes, nu eens Vlaams, dan weer Waals, tot je als taalgrensreiziger een beetje tureluurs wordt van de vele overschakelingen van Frans op Nederlands en andersom. Het is een welvarende streek, met uitgestrekte tarwevelden voor de lokale bierbrouwerijen, waarvan Hoegaarden de bekendste is. Dit is het Brabants leemplateau, het land van kasseien en holle wegen, van Tienen en Tongeren. Eindeloos is hier heen en weer geschoven met de dorpen, wier namen even fraai als ondoorgrondelijk vertaald zijn: Neerheylissem werd Hélécine, Zétrud-Lumay werd Zittert-Lummen en Walshoutem heet in het Frans Houtain-l'Evêque.

In de Voerstreek zijn de roerige jaren zestig en zeventig definitief voorbij. Sinds burgemeester José Happard minister van Landbouw van Wallonië werd en noodgedwongen naar Frans België verhuisde, zijn de meeste burenruzies en familievetes bijgelegd.

,,De mensen zijn het ruziën moe'', weet de uitbaatster van café du Brasseur in 's-Gravenvoeren, de enig overgebleven Waalse kroeg in deze Vlaamse enclave, waar de bevolking (ca. 4.200 inw.) voor de helft Vlaams- en voor de andere helft Franstalig is. Zelf heeft ze haar vijf kinderen tweetalig opgevoed; bij twee is het mislukt, die spreken alleen Frans. Lezen kunnen ze het Vlaams geen van allen.

Was het Waalse en Vlaamse gemeenschapsleven tot voor enkele jaren strikt gescheiden, tegenwoordig waagt zich wel eens een Vlaming in Du Brasseur, dat tevens dienst doet als `lokaal' van RFC Fouron. Boven de bar pronken de voetbalbekers en elftalfoto's. In het midden staat een voetbalspeltafel, tegen de wand een diepvrieskist. In een hoek van het café wordt Franstalig gekaart. ,,Zo erg als het tot eind jaren zeventig was, met vechtpartijen, is het allang niet meer'', aldus de caféhoudster, die ongevraagd op het Nederlands is overgegaan. ,,Toen moest ik het café regelmatig sluiten.''

Du Brasseur is de laatste Franstalige enclave in het dorp `s-Gravenvoeren. Verder is alles er Vlaams. Café C. Wijnants, aan het Plein/Place in 's-Gravenvoeren, had tot zes jaar geleden nog een gedeelte voor de Walen, met een aparte ingang, maar de Walen drinken niet genoeg, luidt de verklaring van de stamgasten. Daarom gaan de Waalse kroegen één voor één dicht. Nu herinnert op het Plein alleen het oorlogsmonument – Pour les morts de Fouron-le-Comte – nog aan het Franstalige verleden van het dorp.

Leuzen zijn er nauwelijks meer te bekennen in de Voerstreek. Alleen op een viaduct bij St. Martens-Voeren is een kreet blijven staan: Fourons Wallons! De tijd is er overheen gegaan, de letters zijn verbleekt. Wie goed zoekt, vindt ook nog wel een `Happard au pouvoir'. Of een verkeersbord waar de Vlaamse naam met zwarte verf is weggespoten. Relikwieën uit vervlogen tijden.

    • Friederike de Raat