EXTREEM ARM

Bijna een halve eeuw lang zuchtte Albanië onder de dictatuur van Enver Hoxha. In 1991 viel het doek voor de communistenleider. Sali Berisha, Hoxha's voormalige lijfarts, richtte de Democratische Partij op en heerste vervolgens vijf jaar op weinig democratische wijze. Het land ging over op een verregaande vorm van kapitalisme, waarbij Albanezen het geld van hun familieleden in het Westen belegden in piramidefondsen. Toen die fondsen begin 1997 ineenstortten, deden de ouderwetse dogma's en het geweld van weleer weer hun herintrede. Resultaat: anarchie, plunderingen, duizenden doden en een scherpe daling van het bruto binnenlands product (8 procent). Berisha werd opgevolgd door zijn aardsrivaal Fatos Nano, leider van de socialistische oppositie. Nano werd in 1998 opgevolgd door de jonge Pandeli Majko, die vorige maand het veld moest ruimen voor de hervormingsgezinde socialist, econoom en ex-gewichtheffer Ilir Meta. Ook Meta beloofde een einde te maken aan de corruptie, smokkel en georganiseerde misdaad in zijn land.

Vooralsnog is en blijft Albanië, zeker naar Europese maatstaven, een extreem arm land.