Den Uyl en de ziekte van Baumol

Het vorige week verschenen boek van P. Bootsma en W. Breedveld over de veelbewogen jaren van het kabinet Den Uyl (1973-1977) roept een herinnering wakker aan het begin van de jaren zeventig. Destijds was ik medewerker voor belastingzaken van de Tweede-Kamerfractie van de Partij van de Arbeid. Oppositieleider Den Uyl toonde zich een scherpzinnig econoom, die overigens vooral oog had voor inzichten die in zijn ideologische kraam te pas kwamen.

Als krachtig voorstander van uitbreiding van de collectieve sector beriep hij zich onder anderen op de Amerikaanse econoom Galbraith. Deze had een boek geschreven waarin werd aangetoond dat de overheidsvoorzieningen in de Verenigde Staten onder druk stonden terwijl de burgers zich wentelden in weelde: publieke armoede te midden van private rijkdom. Zo'n situatie moest in Nederland koste wat het kost vermeden worden. Nu, dat viel natuurlijk wel mee. Onze collectief gefinancierde, voor iedereen toegankelijke gezondheidszorg viel en valt niet te vergelijken met het grotendeels private stelsel in de States, waarbij miljoenen geen verzekeringsdekking genieten. En in een land dat beseft hoe belangrijk goed onderhouden dijken op Deltahoogte zijn, stond de infrastructuur er in het algemeen een stuk beter voor dan het geval was in de VS. Dit overigens met uitzondering van het telefoonnet. Het toenmalige staatsbedrijf van de PTT had gedurende een groot deel van de jaren zestig slechts mondjesmaat kunnen investeren in de aanleg van uiterst lucratieve nieuwe lijnen, omdat de investeringsgelden via de rijksbegroting beschikbaar moesten komen. Kabinetten kozen vaak voor andere prioriteiten. Hoe dat zij, Den Uyl voelde zich duidelijk geïnspireerd door het gedachtegoed van Galbraith en riep hem met enige regelmaat aan als profeet van een grotere collectieve sector.

In de jaren zestig was de collectieve sector in Nederland al enorm uitgegroeid. Niet alleen door de uitbreiding van allerlei sociale verzekeringen en de invoering van de Algemene bijstandswet (in 1965), maar ook doordat de werkgelegenheid in de kwartaire sector van de economie – bij het openbaar bestuur, het onderwijs en het welzijnswerk, en in de zorgsector – sterk was toegenomen. Den Uyl stond te trappelen om daar nog een schepje bovenop te gooien en het kabinet onder zijn leiding heeft dat later ook waargemaakt. Hij had slechts één punt van zorg. Enkele jaren eerder had een andere Amerikaanse econoom, Baumol, beweerd dat een gelijkblijvende hoeveelheid dienstverlening door de overheid steeds duurder zou worden. Ook zonder uitbreiding van het aantal ambtenaren, onderwijzers en zorgverleners zouden belastingbetalers steeds meer voor hun diensten op tafel moeten leggen.

Baumol redeneerde als volgt. De arbeidsproductiviteit in de marktsector stijgt sneller dan in de overheidssector het geval is. De jaarlijkse groei van de arbeidsproductiviteit schept ruimte voor verhoging van de lonen. Stel dat de uurproductie per werknemer met 3 procent toeneemt en tegen gelijkblijvende prijzen wordt afgezet. Zo ontstaat ruimte voor 3 procent loonsverhoging zonder dat het aandeel van de kapitaalverschaffers in het gedrang komt. Bij de overheid groeit de arbeidsproductiviteit minder snel dan in landbouw en industrie, zeg gemiddeld met 1 procent per jaar. Werknemers in de dienstensector spiegelen zich echter aan loonstijgingen in andere sectoren. Omdat hun productiviteit minder stijgt, ontbreekt de mogelijkheid hun hele loonsverhoging uit de productiviteitsverbetering te bekostigen. Het voor een loonsverhoging met 3 procent benodigde geld komt – bij een productiviteitsverbetering met 1 procent – alleen op tafel wanneer overheidsdiensten 2 procent duurder worden, terwijl de prijzen van landbouw- en industrieproducten gelijk blijven.

In de collectieve sector leidt – aldus nog steeds Baumol – een loonstijging dus sneller tot een prijsstijging dan gemiddeld in de economie het geval is. Hierdoor vereist handhaving van dezelfde relatieve omvang van de overheidsproductie in het totale nationale product een voortdurende stijging van de uitgavenquote en een hoger belasting- en premiepeil. Die conclusie zat Den Uyl verschrikkelijk dwars. Hij daagde zijn omgeving uit met de stelling dat de productiviteit bij de overheid wel degelijk fors kon toenemen, waarmee de `ziekte van Baumol' zou zijn bedwongen.

Achteraf staat vast dat de uiteenlopende productiviteitsontwikkeling in de marktsector en de collectieve sector in de jaren zestig en zeventig het peil van de overheidsuitgaven wel degelijk heeft opgejaagd. In de jaren tachtig speelde deze factor geen rol, omdat de lonen in de collectieve sector toen zijn bevroren en daardoor relatief achterbleven bij de lonen in de marktsector. In de jaren negentig stegen de lonen in de kwartaire sector weer bijna even snel als in de marktsector, blijkt uit `Tussen overschot en tekort', een zojuist verschenen rapport van het Sociaal en Cultureel Planbureau. De afgelopen jaren eisten werknemers in de zorgsector en het onderwijs met succes salarisverhogingen. De hogere arbeidskosten die hiervan het gevolg waren, konden onvoldoende worden goedgemaakt via verbetering van de arbeidsproductiviteit. Gehonoreerde salarisclaims hadden tot gevolg dat minder middelen beschikbaar waren voor uitbreiding of kwaliteitsverbetering van de dienstverlening (`meer handen aan het bed'; `meer blauw op straat'). Nu de ziekte van Baumol volop om zich heen grijpt, dreigt publieke armoede (wachtlijsten in de zorg, onveiligheid op straat) te midden van uitbundige particuliere welvaart. Den Uyls bange vermoedens zijn daarmee bewaarheid.

    • Flip de Kam