De tekenen des tijds

Volgende week is het tien jaar geleden dat de Muur in Berlijn viel. Op 9 november 1989 werd zo de neergang van het communisme, die zich in een groot deel van Europa aan het voltrekken was, zichtbaar gemaakt. Een decennium later luidt de vraag of het in Centraal- en Oost-Europa ook werkelijk beter gaat. ,,Ik zal het niet meer meemaken.''

Na veertig jaar van schijnbare onaantastbaarheid werd in 1989 binnen een luttele zeven maanden het IJzeren Gordijn opengetrokken. Hoe kon dat zo snel gebeuren?

EN OPEENS was het allemaal voorbij, in 1989, met de houten heersers, die decennia lang vanaf hun podia hadden verkondigd hoe onfeilbaar de partij was, hoe progressief het systeem, hoe gelukkig het volk. Opeens was het voorbij met het systeem dat dat volk bijna een halve eeuw achter een IJzeren Gordijn van prikkeldraad en wachttorens en mijnenvelden en Schiessbefehle had gehouden. Opeens vielen er gaten in die ijzeren grens van dwang en dwingelandij, van leugens en proletarische eenvormigheid.

Het volk verloor zijn angst en ging de straat op. De Polen met stembiljetten waarmee ze de partij duidelijk maakten dat ze nog op minder dan één procent van de stemmen kon rekenen, de Oost-Duitsers met hun leuzen (`Wir sind das Volk'), de Tsjechen met hun sleutelbossen, de Bulgaren koppig en stil als altijd, want de Bulgaar vangt de haas in een ossekar. De Hongaren deden het geruisloos: het parlement kwam bijeen, herschreef de grondwet en schafte de Volksrepubliek af vóór iemand er erg in had. De Roemenen moesten ervoor vechten, want Nicolae Ceausescu, de Wakende Eik van de Karpaten, was de enige onder de leiders van het proletariaat die de tekenen des tijds verkeerd interpreteerde.

De regimes vielen. De Muur viel. Het Gordijn viel. Na meer dan veertig jaar volstrekt onaantastbaar te hebben geleken, viel het Gordijn binnen een halfjaar, dankzij gerammel met sleutelbossen, de leuzen van het volk, één enkele gang naar de stembus. Waarom viel het zo makkelijk, zo simpel, zo geruisloos? Waarom viel het, afgezien van Roemenië, zonder geweld? En binnen een luttele zeven maanden, tussen de Poolse gang naar de stembus op 4 juni en de executie van de Wakende Eik van de Karpaten op kerstdag van 1989?

Er zijn vele redenen die in 1989 in wederzijdse wisselwerking tot de fluwelen revolutie leidden. Een economische crisis die had geleid tot een uitholling van het contrat social tussen heersers en volk: de heersers konden hun ongeschreven belofte niet meer nakomen, de afspraak dat het volk zich rustig zou houden zolang de welvaart geleidelijk steeg, verloor aan geldigheid. Een politieke crisis die het op een achterhaalde ideologie gebaseerde zelfvertrouwen van de regimes ondermijnde, want afgezien van wat betonkoppen geloofde niemand meer in de ideologie. Een verharde opstelling van het Westen, van de Amerikaanse president Ronald Reagan (`Het rijk van het kwaad') en de Britse premier Margaret Thatcher. Het besef dat Oost-Europa de oude functie van cordon sanitaire had verloren in het tijdperk van de intercontinentale kernrakettenen mutually assured destruction.

Maar vóór alles speelde Michail Gorbatsjov een doorslaggevende en beslissende rol. Zonder hem zou het IJzeren Gordijn óók zijn gevallen – maar niet op deze manier: snel, en zonder geweld. Gorbatsjov was de eerste Sovjet-leider die bij of al spoedig na zijn aantreden, in maart 1985, besefte dat er geen cosmetische maar structurele veranderingen nodig waren om zijn land de supermacht te laten blijven die het pretendeerde te zijn. Hij bracht met zijn beleid van glasnost en perestrojka een politiek, ideologisch en economisch moderniseringsprogramma op gang.

En hij kreeg al snel van zijn vertrouwenslieden te horen dat niet alleen de Sovjet-Unie, maar ook Oost-Europa, die gordel van de Oostzee tot de Zwarte Zee, in een diepe economische crisis stak die uiteindelijk ten laste van Moskou zou gaan.

Polen modderde toen al vijftien jaar met wanhopige pogingen onder leiding van eerst Edward Gierek en vervolgens Edward Kania en Wojciech Jaruzelski om het volk rustig te houden – ten koste van een radicaal stijgende buitenlandse schuld; het had een steeds alarmerender reeks van opstanden achter de rug. Polen was een ketel waarin de druk almaar verder werd opgevoerd. De reële lonen waren er tussen 1980 en 1985 met 17 procent gedaald. Nog veel harder was het vertrouwen in de partij teruggelopen. De Polen waren allang niet meer bang. De Polen, dat waren mensen als Zbigniew Bujak, de Poolse Robin Hood, de leider van de ondergrondse Solidariteit die jarenlang kat en muis speelde met het zogenaamd almachtige bewind. De Poolse dissidenten verkondigden hun gelijk niet in achterkamers, maar luid en duidelijk op openbare plaatsen.

In de andere Oost-Europese landen was het niet veel beter gesteld met de geloofwaardigheid van de regimes, ook al waren de Tsjechen en Slowaken, de Hongaren, de Roemenen en de Bulgaren dan niet zo openlijk opstandig als de Polen. Tsjechoslowakije modderde moeizaam voort, op basis van de industriële traditie van de Eerste Republiek, maar op weinig meer dan dat: het land kon, net zo min als de andere Oost-Europese landen, de concurrentie met het gecomputeriseerde en technologisch in een revolutie terechtgekomen Westen niet volhouden.

De DDR kon beweren de tiende industriële natie in de wereld te zijn – na 1989 bleek hoezeer dat een leugen was, het hele Oost-Duitse industriepark kon toen zo bij het grof vuil worden gezet. Roemenië redde het alleen door alles te exporteren dat kon worden uitgevoerd, tot en met het voedsel van de eigen bevolking. Hongarije stond midden jaren tachtig nog slechts in de ban van één thema: hoe betalen we de pensioenen van de bejaarden?

Oost-Europa, zo kreeg Gorbatsjov te horen, was een blok aan het been van de Sovjet-Unie geworden, met dalende levensstandaarden, groeiende ontevredenheid en elk jaar verder stijgende buitenlandse schulden. En Moskou had niet de middelen dat proces tot staan te brengen: Gorbatsjov wist, beter dan wie ook, van wat voor industriële ruïne hijzelf president was.

Rampen verergerden die situatie. De kernramp van Tsjernobyl en de manier waarop die door de machthebbers onder het tapijt werd gemoffeld, heeft meer dan wat dan ook gedaan om de toch al twijfelachtige legitimiteit van die machthebbers te ondergraven. Ecologie werd een speerpunt van verzet in heel Oost-Europa.

Een ongrijpbaar thema, voor de machthebbers, want er waren geen ideologische argumenten om de roep om een schoon milieu te onderdrukken. De Hongaren gingen de straat op tegen het project van een stuwdam in de Donau, het Nagymáros-Gabcikovo-project. De Bulgaren deden hetzelfde tegen de luchtvervuiling die de inwoners van een hele stad, Roese, dwong op straat zakdoeken voor het gezicht te dragen. De Oost-Duitsers richtten hun eigen groene beweging op.

Een andere katalysator: het zicht op het verleden. Gorbatsjov slechtte met zijn beleid van glasnost in de Sovjet-Unie taboes: Stalins slachtoffers werden gerehabiliteerd, niet alleen de kleine, naamloze slachtoffers, ook de grote, de medestrijders van Lenin die in de jaren dertig werden geliquideerd.

Het werkte in Oost-Europa als een motor achter de ontevredenheid: waarom mochten de Hongaren de opstand van 1956 geen revolutie noemen, maar heette het nog steeds een contrarevolutie? Waarom moesten de tot zwijgen genormaliseerde Tsjechen en Slowaken raden wat er na de Praagse Lente met Alexander Dubcek was gebeurd en mocht het socialisme geen menselijk gezicht krijgen? Waarom mochten de Polen niet weten hoe het zat met de massamoord op hun officieren in Katyn en met het Molotov-Ribbentroppact? En waarom heette de Muur Der antifaschistische Schutzwall, terwijl elk kind wist dat het de muur om een gevangenis was?

Gorbatsjov wist maar al te goed hoe haaks zijn eigen beleid stond op dat van de kameraden Honecker in de DDR, Husák in Tsjechoslowakije, Zjivkov in Bulgarije, Ceausescu in Roemenië en zelfs Kádár in Hongarije. Hij wist dat hij zijn Sovjet-Unie niet zou kunnen hervormen zonder het Westen. Het Oosten kon de economische en militaire wedloop niet volhouden. Hij moest het pad van de samenwerking op. Hij kon zich niet langer iets aantrekken van de koppige, blinde betonkoppen in Oost-Europa. Zij waren hinderpalen op de eigen weg van de hervormingen. Stalin had Oost-Europa veroverd. Chroesjtsjov had zijn tanks op de Hongaren afgestuurd, Brezjnev de zijne op de Tsjechen. Gorbatsjov was de eerste die daartoe niet meer bereid was, niet meer bereid kón zijn.

En hij zei het ook. Al in 1987 heette het in Moskou dat ,,elke natie het recht heeft zijn eigen weg te kiezen''. ,,Eenheid betekent geen uniformiteit – er is geen model van het socialisme dat door allen moet worden geïmiteerd'', zei Gorbatsjov in november 1987. In juli 1989 zei hij het bij herhaling. ,,Wat de Hongaren en Polen beslissen is hun eigen zaak – wij respecteren hun besluit, hoe dat ook uitvalt'', zei hij in Parijs, op 5 juli. ,,Elk volk heeft het soevereine recht zijn eigen sociale systeem te kiezen'', zei hij een dag later in Straatsburg. En hij voegde eraan toe dat ,,gebruik van geweld, ook binnen een bondgenootschap, absoluut onaanvaardbaar is''.

Het signaal kon niet worden gemist. De bevolking van Oost-Europa begreep het: Moskou zou niet ingrijpen als de Oost-Europeanen zouden opstaan. En belangrijker nog: ook de regimes begrepen het. En zo stonden ze met lege handen toen het volk in 1989 daadwerkelijk opstond.

De enige die het begreep vóór het gezegd werd, was de Pool Jaruzelski. Hij had de volksbeweging Solidariteit onderdrukt toen Brezjnev nog heerste. Maar al na enkele jaren had hij begrepen dat hij de confrontatie met het eigen volk niet kon volhouden en zocht hij samenwerking. Hij stak de hand van de verzoening al uit toen de oppositie nog in de gevangenis zat. Die oppositie had het daar even moeilijk mee, maar in 1988 kwam het tot een rondetafel, in februari 1989 tot een akkoord, in juni tot halfvrije verkiezingen. Jaruzelski was uiteindelijk de enige leider die de val van het socialisme zelf begeleidde.

De anderen lieten zich verrassen. Maar ook zij hadden midden 1989 de signalen begrepen. Ze verzetten zich niet meer toen het volk de straat op ging. Ze gaven zich over, ze stapten van hun podia af, zetten de grenzen open, lieten de afbraak van het IJzeren Gordijn over aan het volk in naam waarvan ze jarenlang hun rode gelijk hadden verkondigd.

Eén begreep het zelfs toen niet: Ceausescu. De Conducator verdedigde zich, met geweld, ten koste van elfhonderd mensenlevens. Hij gaf, kort nadat de revolutie op 16 december 1989 in Timisoara was uitgebroken maar nog vóórdat ze oversloeg naar Boekarest, op een zitting van het politburo woedend de schuld aan Gorbatsjov. Hij had op een curieuze manier gelijk: het was, anders dan hij dacht, niet Gorbatsjov geweest die de bevolking van Timisoara de straat had opgedreven, maar die opstand was er zonder Gorbatsjov niet gekomen.

Het was zijn enige en laatste gelijk. Een week later werd hij in Tîrgoviste voor het vuurpeloton gezet. Hij begreep het niet, de man die de tekenen des tijds niet had gezien.

    • Peter Michielsen