AZIË

De val van de Muur heeft voor Europa ingrijpende gevolgen gehad. Maar hoe diep is het communisme elders op de wereld nog geworteld? Een overzicht van drie continenten.

Een halfjaar voordat de Berlijnse Muur openging, stond in Peking een student voor een rijdende tank. Beide historische gebeurtenissen symboliseerden het failliet van het communistische systeem, maar anders dan in Oost-Europa is in China de alleenheerschappij van de Communistische Partij nog steeds niet gebroken. Wel vertegenwoordigt deze partij allang niet meer de maoïstische waarden waaraan zij haar bestaansrecht ontleende.

Het bloedig neergeslagen studentenprotest op het Plein van de Hemelse Vrede, in het voorjaar van 1989, was in zekere zin de logische consequentie van de historische ommezwaai die China onder zijn in 1997 overleden leider Deng Xiaoping heeft ingezet. Deng was de man die China opengooide, en die door zijn vier `moderniseringen' – van de industrie, de landbouw, de wetenschap en technologie en het leger – de aanzet gaf voor verregaande liberalisering van de economie. Net als de studenten op het Plein van de Hemelse Vrede negen jaar later, wees de inmiddels naar de Verenigde Staten verbannen dissident Wei Jingsheng al in 1978 op de historische noodzaak van een `vijfde modernisering': democratisering van het politieke bestel.

Naarmate China verder voortschrijdt richting markteconomie, krijgt het communistische leiderschap het steeds benauwder in de spagaat tussen economisch laissez faire en politieke repressie. De enorme sociale problemen als gevolg van de ontmanteling van staatsbedrijven en de maatschappelijke onthechting vormen een bron van voortdurende zorg op de partijcongressen. Maar vooralsnog toont de partij zich bereid om tegen elke prijs vast te houden aan haar machtsmonopolie – uit angst voor desintegratie van het land (zoals van de Sovjet-Unie onder Gorbatsjov) en uit lijfsbehoud van de leiders. Niet voor niets is recentelijk de mystieke sekte Falun Gong buiten de wet geplaatst en worden haar voorgangers vervolgd. De groeiende populariteit van de miljoenenbeweging wordt opgevat als een directe bedreiging voor het gezag van de partij.

De meest aansprekende overwinning op het slagveld van de Koude Oorlog werd in 1975 behaald door China's buurland en vijand Vietnam. Toen op 30 april van dat jaar de laatste Amerikanen in helikopters werden weggehaald vanaf het dak van de Amerikaanse ambassade in Saigon, werd dat beschouwd als een doodsklap voor het Amerikaanse imperialisme in Indochina. Maar inmiddels is ook Vietnam voor het Westen weer salonfähig. Het werd in 1995 lid van Asean (twee jaar later gevolgd door het communistische Laos), de club van Zuidoost-Aziatische landen, die in de jaren zestig en zeventig werd ingezet om de dreiging van communistische expansie in de regio in te dammen. In datzelfde jaar kondigde ook president Clinton normalisering van de Amerikaanse betrekkingen met Vietnam aan. In zijn recent verschenen standaardboek over Zuidoost-Azië (Een eeuw van onvervulde verwachtingen) stelt de historicus Jan Pluvier niet zonder bittere ironie vast dat die toenadering er is gekomen doordat ook de communistische machthebbers in Vietnam hebben gecapituleerd voor het mondiale kapitalistische stelsel (via `doi moi', de Vietnamese versie van economische liberalisering), en nadrukkelijk niet door het toestaan van politieke vrijheden. Net als in China houdt de Communistische Partij in Vietnam (en Laos) krampachtig vast aan haar politieke alleenheerschappij.

Vietnams economische koerswijziging hing samen met de teloorgang van de Sovjet-Unie. Door het wegvallen van bijstand van zijn belangrijkste bondgenoot in de Koude Oorlog kwam Hanoi alleen te staan. Datzelfde overkwam, en nog in sterkere mate, Noord-Korea dat altijd handig had ingespeeld op de rivaliteit tussen de Sovjet-Unie en China. Op 16 mei 1984 stapte de Noord-Koreaanse leider Kim Il Sung op een luxe trein die hem, en zijn entourage van 250 begeleiders, onder wie bodyguards, tolken en gezelschapsdames, voor een achtdaags bezoek naar Moskou bracht. Hij keerde terug met nieuwe toezeggingen voor omvangrijke economische en militaire hulp. Zes jaar later was het klimaat ingrijpend veranderd. Sovjet-minister van Buitenlandse Zaken Edoeard Sjevardnadze kwam in september 1990 in Pyongyang meedelen dat Moskou diplomatieke relaties zou aanknopen met Zuid-Korea.

Maar het stalinistisch bestuurde, nog steeds van de buitenwereld afgesloten Noord-Korea heeft zich niet neergelegd bij de voldongen feiten. 's Lands economie is bankroet, de bevolking lijdt hongersnood, maar nog steeds houdt de nieuwe leider, Kims zoon Kim Jong Il, hardnekkig vast aan de Juche-ideologie van `zelfvoorziening'. Ironisch genoeg vertrouwt de `socialistische monarchie' daarbij nog het meest op de VS: door te dreigen met het ontwikkelen van kernwapens, heeft Pyongyang toezeggingen afgedwongen voor voedsel- en andere hulp. Onlangs verzachtten de VS hun sancties tegen Noord-Korea. ,,Dat betreft handel en investeringen, en heeft niets te maken met het geven van steun aan het land als terroristische staat'', aldus Washington.

WIM BRUMMELMAN

    • Wim Brummelman