Privacy-wetgeving belemmert aanpak zedenrecidivist

Maatschappij en politiek roepen om maatregelen die herhaling van zedendelicten moet voorkomen. Maar de privacywetgeving is streng.

Tweede-Kamerlid Halsema (GroenLinks) zei het gisteravond tijdens de behandeling van de Justitiebegroting nog zo nadrukkelijk: ,,We moeten elkaar niet overbieden.'' Toch had het er alle schijn van, vooral waar het gaat om maatregelen tegen zedendelinquenten, die afgelopen zomer het nieuws gingen bepalen na een aantal moorden op meisjes door daders die eerder voor dergelijke feiten waren veroordeeld.

Vrijwel meteen werd verwezen naar de Verenigde Staten waar het naming and shaming in zwang is. Dat komt er op neer dat alle staten daar verplicht zijn gemeenten in te lichten als een vrijgekomen zedendelinquent zich in een buurt wil vestigen. In het Verenigd Koninkrijk heeft de politie het recht om informatie over een `dader' door te spelen aan wijkbewoners.

Maar Nederlandse Kamerleden lieten deze zomer weten voor dergelijke zaken niets te voelen. Het zou ook niet kunnen, want artikel 15 lid 4 van de Grondwet zegt dat alleen gedetineerden kunnen worden beperkt in hun grondrechten, terwijl ex-gedetineerden dezelfde rechten hebben als elke burger. En daar hoort bescherming tegen inbreuk op privacy bij. Zolang Nederland niet in de eigen wetgeving heeft geregeld dat er gronden zijn om die privacy in voorkomende gevallen te schenden, zal elke ex-gedetineerde gelijk krijgen van het Europees Hof voor de rechten van de mens in Straatsburg als hij zijn zaak daar aankaart.

Een ander recht dat ex-gedetineerden hebben is het recht op reclassering, dat wil zeggen het maken van een nieuw begin. Of de Tweede Kamer hen daartoe ook gelegenheid biedt, lijkt een vraag als alle voorstellen van de verschillende fracties worden overzien. Het recht op reclassering is verankerd in de Penitentiaire beginselenwet, maar het is ook als grondrecht geformuleerd in het Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten. Dat verdrag verplicht de minister van Justitie er op toe te zien dat voormalig gedetineerden de kans krijgen op maatschappelijke `herinpassing' en de bewindsman moet bovendien waken tegen schendingen van dat recht, zo stelt Gerard de Jonge, hoofddocent strafrecht aan de Universiteit van Maastricht in het Crimineel Jaarboek 1999 van de Coornhert-Liga: ,,Nu is de reikwijdte van het betreffende artikel voor Nederland nog nooit vastgesteld, maar het is denkbaar dat, waar Justitie onvoldoende inspanningen verricht om een ex-gedetineerde te vrijwaren voor acties vanuit een vijandig publiek, deze zich wendt tot het Comité voor de Rechten van de Mens met een klacht over schending van hun recht op rehabilitatie.''

Duidelijk is dat alle fracties in de Tweede Kamer menen dat het in het geval van zedendelinquenten niet bij tbs kan blijven en dat er dus een forse bemoeienis moet blijven met daders die hun straf hebben uitgezeten. Dat zou kunnen door aan het vonnis ook een - zeer lange - proefperiode te verbinden, waarbinnen de zedendelinquenten zich geregeld zouden moeten verstaan met hulpverleners. Daardoor zou de kans op recidive kunnen verminderen. Uit beschikbare cijfers blijkt dat één op de vijf zedendelinquenten of plegers van extreem zwaar geweld na hun straf weer vervallen in eerder gedrag.

Een proefperiode is bepaald geen onbekend fenomeen in het Nederlands strafrecht, maar een ander voorstel om hen te dwingen te verhuizen wel. Laat staan de verplichting tot `chemische castratie' waartoe het CDA wil overgaan. De `integriteit van het menselijk lichaam', een populair politiek adagium uit de jaren tachtig, lijkt daarbij ver uit zicht.

Of het politiek en maatschappelijk wenselijk is de bemoeienis met ex-gedetineerden flink op te voeren is dus niet zozeer de vraag, maar wel of die bemoeienis zich verdraagt met eigen wet- en regelgeving én internationale verdragen die Nederland heeft geratificeerd.

    • Bram Pols