Peper: ik eiste onderzoek

Minister Peper (Binnenlandse Zaken) verwacht geen nieuwe feiten van onderzoek dat de Rotterdamse gemeenteraad laat instellen naar de financiële gedragingen van bestuurders en ambtenaren. De minister zei dit gisteren in antwoord op mondelinge Kamervragen van het CDA. De minister wees erop dat hij zelf als burgemeester van Rotterdam al onderzoek had ,,gevorderd'' door de Belastingsdienst. ,,Ik was het zat'', aldus Peper, verwijzend naar geruchten en verdachtmakingen in Rotterdam over `geldsmijterij' van stadsbestuurders die al jarenlang de ronde deden.

Het onderzoek dat de Belastingsdienst in 1997 heeft uitgevoerd naar de uitgaven van B en W in Rotterdam is van geheel andere aard dan het onderzoek dat de Rotterdamse raadscommissie voor de rekening (COR) thans instelt. Het onderzoek van de Belastingdienst was gericht op het gebruik van de zogenoemde forfitaire vergoedingen die burgemeester, wethouders en hoofden van dienst krijgen voor hun werk in de periode 1993-1996. Deze vaste vergoedingen zijn bedoeld als tegemoetkoming in de onkosten die B en W en raadsleden uit hoofde van hun functie maken. Als burgemeester en wethouders hun bestuurlijke uitgaven echter bij de gemeente kunnen declareren, kunnen vaste onkostenvergoedingen worden beschouwd als inkomsten waarover loonbelasting moet worden betaald. De Belastingdienst stelde vast dat dit niet het geval was in een rapport dat in september 1998 werd aangeboden, aldus vanochtend een woordvoerder van de gemeente.

De commissie van de rekening (COR) onderzoekt alle `bestuurlijke uitgaven' van burgemeester en wethouders gedurende de periode 1986-1999 inclusief reiskosten, ontvangen en gegeven geschenken alsmede het gebruik van gemeentelijke faciliteiten (zoals stadhuiskeuken, dienstauto's, rondvaarten met het promotieschip van het Havenbedrijf). Het door de COR ingeschakelde accountantsbureau zal 25 medewerkers inzetten om alle uitgaven en gebruik van faciliteiten in de afgelopen 13 jaar na te gaan.