Peper en Rotterdam

BETEKENT ROOK altijd en overal dat er ook vuur is? Volgens minister Peper (Binnenlandse Zaken) is er geen enkel causaal verband tussen de merendeels anonieme beschuldigingen aan zijn adres en de werkelijkheid. Premier Kok steunt hem daarin. Maar volgens sommige media, zoals het Algemeen Dagblad dat pal achter zijn berichtgeving blijft staan, smeult er in Rotterdam wel degelijk een vuurtje.

De verwarring leidde gisteren tot een heus debatje in de Tweede Kamer. Peper moest zich, daartoe ontboden door de oppositiepartijen CDA en SP, plenair verweren tegen de aantijgingen dat er op het stadhuis in Rotterdam tijdens zijn burgemeesterschap met declaraties en dus gemeenschapsgeld is gerommeld. Peper gaf geen krimp. Hij erkende zich ,,beschadigd en geraakt'' te voelen, maar zei te vertrouwen op het onderzoek dat de stad Rotterdam nu zelf uitvoert. Suggesties dat buitenstaanders feiten en fictie beter zouden kunnen onderscheiden, zoals ook is gebeurd met de Ceteco-affaire in de provincie Zuid-Holland, wees de bewindsman van de hand. Hij zal er op toezien dat het Rotterdamse onderzoek ,,solide'' is en het direct naar de Tweede Kamer sturen. Een meerderheid in de Tweede Kamer steunde hem.

MINISTER PEPER heeft procedureel gelijk. In Rotterdam zingen de anonieme geruchten rond en verklaren bronnen, die wel in de openbaarheid zijn getreden, later dat ze verkeerd of buiten de context zijn geciteerd. Tot nu toe wekt de `affaire' dan ook de indruk van een vereffening van oude rekeningen. Peper is immers heel lang burgemeester geweest van Rotterdam, een stad bovendien met een eigenzinnige bestuurscultuur. Het `geen woorden, maar daden' heeft in de grootste havenstad ter wereld altijd hoog in het vaandel gestaan. Waar Amsterdam eerst een rondje inspreekt en tijd verliest, steekt Rotterdam liever meteen de schop in de grond. Waardering daarvoor is de afgelopen decennia alom geuit. De in mei 1940 verwoeste stad heeft, mede tijdens het regime-Peper, weer stedelijke allure gekregen. De haven is tegelijkertijd een nationale trots gebleven.

Maar deze cultuur heeft ook een keerzijde. Als werkgevers, vakbonden, politici en bestuurders het op voorhand toch al eens zijn, is een serieus publiek debat vaak niet meer nodig. Burgemeester Peper heeft die cultuur eerder versterkt dan omgebogen. Het karakter van de stad en van hem persoonlijk waren aan elkaar gewaagd. Als zulke karakters maar liefst zestien jaar samen optrekken, ligt patronage op de loer en komt openheid dus in het gedrang. De kwestie met directeur Krosse van de sociale dienst, die zich op andermans kosten wel erg veel mocht veroorloven, heeft dat bijna drie jaar geleden al geïllustreerd.

ROTTERDAM HEEFT nu dan ook allereerst helderheid nodig. Het is de taak van burgemeester Opstelten en het gemeentebestuur om die te verschaffen. Peper, die als minister van Binnenlandse Zaken moet toezien op de kwaliteit van het lokale bestuur en zodoende ook het onderzoek naar zijn voormalige stadsbestuur moet bewaken, doet er goed aan Rotterdam alle ruimte te geven. Te veel `geraakte' interventies van zijn kant kunnen schadelijk zijn: voor Rotterdam en voor hemzelf. Ingetogenheid is wellicht niet zijn sterkste eigenschap, maar is nu wel geboden.