Loopgravenoorlog schaadt de cultuur

In het cultuurdebat zijn staatssecretaris Van der Ploeg en de culturele elite in een stellingenoorlog beland die ten koste gaat van de cultuur. Anil Ramdas meent dat een oplossing alleen mogelijk is als politici zich niet meer rechtstreeks met de cultuur bemoeien en de leden van de culturele elite ontpolitiseren.

Het schrikbeeld zagen we toen burgemeester Giuliani van New York de subsidie aan het Brooklyn Museum introk omdat een tentoonstelling hem niet beviel. In één klap waren we teruggeworpen in de tijd van Mozart, waarin de keizer bepaalde of in een opera wel of geen ballet mocht voorkomen. Kunst is altijd horig geweest aan de macht en kunstenaars hebben altijd naar het pijpen moeten dansen van patronen die hun bekrompen inzichten oplegden aan de kunst.

Deze primitiviteit hebben we pas overwonnen in de liberale democratie, waarin het oordeel over kunst toekomt aan specialisten, curatoren, recensenten, intellectuelen, en nog liberaler: het publiek zelf. Toen het volk eenmaal was geschoold en opgevoed, kon men het aan het publiek overlaten of een bepaalde kunstuiting waardering kreeg of niet. Kunst belandde in de vrije markt. De strijd om de meeste bezoekers, de meeste luisteraars en de meeste kijkers kon beginnen.

Maar zo overzichtelijk is het natuurlijk niet. Het volk is nu eenmaal gewoontjes, nauwelijks geneigd tot avontuur en vernieuwing. En als kunstenaars grenzen aftasten, wat ze behoren te doen, zullen de gewone mensen steeds weer geholpen moeten worden de waarde daarvan in te zien. Het publiek zal dus voortdurend moeten worden geoefend, het zal bij moeten leren, nieuwe inzichten krijgen, nieuwe vormen van schoonheid erkennen: de zware taak van de volksverheffing komt nooit tot een eind.

Maar wie zal die taak op zich nemen? En wie zal de kunstenaars die vernieuwend zijn, maar nog geen erkenning krijgen, onderhouden? Zijn we daarmee terug in de tijd van broodheren en patronen?

Feit is dat we nooit echt zijn losgekomen van patronage. Ook in de liberale democratie moet de overheid kunstenaars de middelen verschaffen om hun kunst te beoefenen. Maar het mag nooit meer rechtstreeks, en het mag nooit meer gepaard gaan met eisen over het wel of niet toelaten van ballet in de opera. Daarom is in Nederland de ingewikkelde constructie bedacht van onafhankelijke subsidiefondsen, cultuurraden en adviesorganen – en de ongeschreven plicht tot terughoudendheid van de staatssecretaris voor Cultuur.

Maar dan schrijft de staatssecretaris een nota met als titel: `Cultuur als Confrontatie', waarin ronduit wordt geëist dat meer jongeren en allochtonen gebruik moeten maken van de gesubsidieerde instellingen, zowel in de zaal als op het podium. Dat is geen indirecte bijsturing meer, maar een rechtstreekse ingreep. De staatssecretaris heeft het geweten ook. De instellingen, hun besturen en directeuren, de kunstbeoordelaars en intellectuelen, die doorgaans sterk verdeeld zijn en elkaar bij het minste in de haren vliegen, hebben door deze dreiging van patronage en bevoogding een front gevormd.

De culturele elite is tot een massieve eenheid gekomen, mensen die elkaar vroeger het licht in de ogen niet gunden, verkondigen nu gebroederlijk dat ze zelf bepalen of er wel of geen ballet voorkomt in de opera. In meer hedendaagse termen: de instellingen zullen zelf bepalen of zwarten op het podium staan en jongeren in de zaal zitten.

Hebben de instellingen ongelijk? Nee, want de volgende stap is een Giuliani die de subsidie aan een museum blokkeert wegens een voor katholieken kwetsende expositie.

Maar stel dat de tentoonstelling in het Brooklyn Museum niet kwetsend was voor katholieken, maar voor zwarte Amerikanen, of indianen, of Pakistanen. Kunstenaars zijn nu eenmaal schelmen en soms zelfs kwaadaardige schoften. Stel dus dat zo'n kunstenaar de zwarten zou hebben beledigd en de burgemeester de subsidie introk. Zouden we daarop net zo afwijzend hebben gereageerd? Giuliani zou het morele gelijk aan zijn kant krijgen. Het beschermen van de kwetsbaren, wat is edelmoediger? Maar niet de moraal is hier het criterium, maar het recht van de kunstenaar om zich vrijelijk te uiten, om nieuwe werkelijkheden te verkennen en de ethische en esthetische grenzen te verleggen.

En waarom zou men zwarten of Pakistanen niet mogen beledigen en katholieken wel? Is de mate van kwetsbaarheid recht evenredig met de mate van omzichtigheid waarmee we met hun gevoelens omgaan? En hoe zit het met joden, die een dubieuze positie innemen op de ladder van kwetsbaarheid: slachtoffer van de wereldgeschiedenis, maar tamelijk machtig in New York?

Het is een heilloze weg en ik stel voor die gewoon te verlaten. We moeten vasthouden aan het principe dat de politiek zich onthoudt van rechtstreekse bemoeienis met de kunsten. De politicus heeft er geen verstand van en als hij er wel verstand van heeft moet hij kunstenaar worden, geen politicus. Maar wat als niet de burgemeester zou hebben geprotesteerd, maar katholieke gelovigen? Stel dat zij voor de deur van het museum kwamen met borden waarop stond dat Maria niet met stront mag worden besmeurd en al helemaal niet met olifantenstront. Dan zou het totaal anders liggen. Ik zou het zelfs toejuichen. Kunst moet confronteren, beroeren, gevoelens losmaken, kwetsen desnoods.

Het verschil ligt in de scheiding der sferen: die van de politiek en die van de burgerij. Binnen de burgerlijke sfeer moet kunst rumoer veroorzaken. En als kunst provoceert, moet de reactie op de provocatie welkom zijn. Niets is zo erg voor een kunstenaar als een onverschillige reactie op wat hij bedoelde als een ongenadige schok.

Binnen de burgerlijke sfeer mag wat mij betreft alles. Er mag beschimpt en beledigd worden en de beledigden mogen protest aantekenen. Als men vindt dat er grenzen zijn overschreden mag men naar de rechter stappen. Die moet beoordelen of het gewicht doorslaat naar de vrijheid van meningsuiting of naar smaad en laster. Zo hebben we ooit grondwettelijk afgesproken: de rechter beslist, in laatste instantie, en de rechter mag nooit tegelijk de burgemeester zijn.

En dan nu van Giuliani naar Van der Ploeg: Van der Ploeg eist van de cultuurmakers dat ze meer jongeren en allochtonen moeten betrekken bij hun activiteiten. Hij heeft zijn strafkorting van 3 procent inmiddels laten varen, maar het kwaad is al geschied. Het kwaad is dat de cultuur-elite tot eensgezindheid kwam en een hecht blok vormde tegen... ja, waartegen? Tegen de allochtonen en jongeren? Dat gevoel hebben allochtone kunstenaars, begrijp ik. En door sommigen uit de blanke cultuur-elite is die indruk inderdaad gewekt. In plaats van te hameren op de principiële scheiding tussen de politieke en burgerlijke sfeer, schreven enkelen dat de Nederlandse cultuur al af is, of dat allochtonen vanzelf komen bovendrijven als ze voldoende kwaliteit hebben.

Dat van de kwaliteit is interessant: allochtonen hebben het gevoel dat men hun alleen kwaliteit toedicht als ze iets presteren wat de blanke elite herkent. Ze moeten of erg exotisch zijn, of erg bekend. Heel Turks of erg Nederlands, en beide houdingen zijn in wezen etnocentrisch.

Maar wat is de reactie van allochtone kunstenaars? Ze openen de aanval op de Westerse kunstopvatting als zodanig. In het Westen spreekt men van kunst als de uiting is losgekoppeld van haar nut, haar ontstaansgrond of haar omstandigheid. De Matthäus Passion is ook te genieten door mensen die niet geloven, derhalve is de Matthäus Passion kunst.

Surinaamse winti-muziek daarentegen is nauwelijks te genieten door mensen die niet in Afrikaanse magie geloven. Toch zou winti-muziek kunst zijn, als we tenminste een andere kunstopvatting hanteren, zeggen allochtonen. In de niet-Westerse kunstopvatting zouden ook die uitingen onder kunst worden geschaard die nog hecht verbonden zijn met wat we 'traditie' noemen.

Dat nu is onzin. Als je winti-muziek alleen kunt appreciëren wanneer je in winti gelooft, is het geen kunst. Als je baithak-gana alleen kunt waarderen als je een hindoestaanse boerenafkomst van Centraal-India hebt, dan is dat geen kunst. Kunst is het pas als ik mijn Indiase boerenafkomst ontken, omdat ik het ontstegen ben, en het toch mooi vind. Ik vind Indiase filmmuziek mooi. Ik vind jazz mooi, en rhythm & blues. En het mooist vind ik een mengsel van alledrie. Het resultaat wordt trouwens al beoefend, door avant-gardistische derde generatie allochtonen in Engeland die kunst maken – niet in de niet-Westerse betekenis, maar in de universele betekenis.

Ik geloof in een universele esthetica, zij het met de aantekening dat je soms oefening nodig hebt om iets mooi te vinden. De Chinese ballade vind ik niet mooi, de Westerse opera evenmin, maar ik ontbeer iedere oefening en opvoeding in deze stijlen. Geluid is anders dan smaak. Van vanille zegt men dat het een universele smaak is, omdat het in moedermelk voorkomt. Klanken leer je mooi te vinden, vanaf het eerste slaaplied.

Maar ik zou niet in mijn eerste slaaplied willen blijven steken. Ik zou dolgraag de Europese opera of de Chinese zangkunst willen leren waarderen, vanuit de stelling dat wie zich beschaving ten doel stelt, nergens voor terugdeinst.

En ik moet zeker niet terugdeinzen voor de Europese opera, omdat ik in Europa woon. Ik zou het bovendien schitterend vinden als mijn mede-Europeanen ook van de Indiase filmmuziek leerden genieten. De Indiase film vertoont namelijk grote overeenkomsten met de Europese opera. Ze is net zo melodramatisch en mythisch, met dit verschil dat de Indiase stemmen mooier zijn – maar dat is natuurlijk de klank van vanille.

Een ander verschil is dat de Indiase film geen cent subsidie nodig heeft. Miljarden mensen genieten ervan en o wee als een film overheidssubsidie krijgt: zo'n film wordt een flop, omdat ook de minst ontwikkelde mensen wantrouwig staan tegenover een slinkse opvoeding door de staat. Verheffing van het volk komt niet meer toe aan de overheid. De politiek mag alleen de randvoorwaarden scheppen: scholen bouwen en universiteiten subsidiëren. Maar met de inhoud van het onderwijs moet zij zich niet bemoeien. Zo ongeveer als de keizer die de opera bekostigt, maar niet mag beslissen of er wel of geen ballet in voorkomt.

Ik zei dat ik oefening nodig heb om de Europese opera mooi te vinden, maar wie zal mij die geven? Het zou prachtig zijn als de Nederlandse culturele instellingen uit zichzelf de behoefte voelden om allochtonen een weg te wijzen naar al het moois wat hier te behalen is. Het zou ook logisch zijn. De scheiding tussen politieke en burgerlijke sfeer is alleen te handhaven als de burgerij haar verantwoordelijkheden serieus neemt. Daartoe behoort tegenwoordig ook de verheffing van jongeren en de ontwikkeling van allochtonen.

Helaas, de Nederlandse culturele elite heeft haar verantwoordelijkheden niet serieus genomen. En nu de staatssecretaris ingrijpt, vindt de elite dat vervelend. Toch is het altijd beter dat allochtonen verstoken blijven van Europese cultuur, dan dat men een fundamentele verworvenheid als de scheiding van politieke en burgerlijke sfeer verspeelt.

Dat de culturele elite haar vrijheid niet benut, wil niet zeggen dat het principe onjuist is. Maar moet ik mij daarbij neerleggen? Als de Europeanen mij niet opvoeden, kan ik nog altijd proberen hen op te voeden.

Wat als ik een poging waag ze te oefenen in het Indiase melodrama? Daar kan ik subsidie voor vragen. Het willen vergroten van de culturele geletterdheid van mijn medeburgers zal de staatssecretaris niet vreemd in de oren klinken. En dan komt de Marokkaan met een aanvraag voor raj-muziek en de Turk voor toneel en de Chinees voor het levenslied en al die andere vijftig nationaliteiten. We moeten niet vergeten dat er meer dan twee miljoen allochtonen in Nederland wonen, allemaal met hun eigen culturele bagage en hun eigen kunstzinnige inzichten, en er zitten ook belastingbetalers tussen.

Ideaal zou het zijn als de staatssecretaris alle verzoeken zou kunnen inwilligen: u wilt een Indiaas filmfestival, en u wilt een Marokkaans concertgebouw en u wilt een Turkse schouwburg?

Komt in orde. De staatssecretaris mag zich niet bemoeien met de inhoud van cultuur, maar hij heeft wel de plicht om de voorwaarden voor culturele bloei te scheppen: podia, kosten van het personeel, van portier tot directeur.

Er zou niets aan de hand zijn geweest als de staatssecretaris geld in overvloed had, dat hij gul kon geven aan alle aanvragers, zowel de autochtonen als de allochtonen. De moeilijkheid is alleen dat er geen sprake is van overvloed. En als de politiek niet mag opvoeden, verdelen is wel haar eerste en voornaamste taak. En wat is verdelen anders dan het geven aan de een, ten koste van de ander?

Zo zijn alle problemen ontstaan.

De staatssecretaris constateert dat de Nederlandse samenleving is veranderd. Hij ziet een andersoortige behoefte aan cultuur dan, pak weg, dertig jaar geleden. Hij wil, voorzover ik begrijp, die verandering weerspiegeld zien in de verdeling van het geld dat Nederland voor cultuur overheeft. Dat nu is het enige recht dat hij heeft. En het moet niemand verbazen dat hij dat recht ook neemt.

Maar daar is de gevestigde cultuur-elite juist zo verbolgen over. Een andere verdeling van hetzelfde bedrag betekent voor haar een vermindering van het budget. Dat leidt tot boosheid, coalitievorming, strijdbare houdingen en oproepen tot burgerlijke ongehoorzaamheid. Het was te verwachten en ik heb de indruk dat de staatssecretaris dat in de hand heeft gewerkt, al was het maar met de titel van zijn beleidsnota, `Cultuur als Confrontatie'.

Confrontatie is er volop: de autochtone cultuurbeheerders staan frontaal tegenover de allochtone kunstenaars en je hoeft niet over hogere inzichten te beschikken om te voorspellen wie de verliezende partij zal zijn. De allochtone kunstenaars dachten aanvankelijk dat ze van deze staatssecretaris een stevige duw in de rug kregen, maar het bleek een duw in de richting van het ravijn te zijn. Door zijn toon van dreigementen en strafkortingen heeft hij ervoor gezorgd dat de Nederlandse culturele gelederen zich gesloten hebben. Nu de instellingen tot eenheid zijn gekomen en zich tegen hem keren, heeft hij geen andere keus dan het geld te verdelen als vanouds.

Van der Ploeg zal dus niet bereiken wat hij beoogt. Maar de Nederlandse culturele elite hoeft daar geen seconde trots op te zijn. Ze heeft zich door de staatssecretaris laten politiseren, door zich tot een machtsblok te laten omvormen.

In een land waarin museumdirecteuren, curatoren, recensenten, en intellectuelen het roerend met elkaar eens zijn, is het met de cultuur slecht gesteld. Juist daar waar smaak- en meningsverschil hoort te bestaan en waar eigenzinnigheid het hoogste goed is, zien we zelfgenoegzame schapen die de wolf hebben weerstaan. Met man en macht hebben ze vastgehouden aan de smaak en de klank die ze van kleins af hebben meegekregen, en ze zijn er nog trots op ook. Maar over tien jaar, schat ik, zullen ze zich doodschamen.

Anil Ramdas is lid van de Raad voor Cultuur.

    • Anil Ramdas