Gewiekst geweld zonder opgeheven vingertje

In alle films waarin geweld vermaak biedt, komt een opgeheven vingertje voor. We mogen er pas van genieten als we beseffen dat het eigenlijk niet deugt, al was het maar door het verhaal zo te scharnieren dat het geweld van de goeden een reactie is op het geweld van de slechten. De Oostenrijkse regisseur Michael Haneke probeerde een paar jaar geleden af te rekenen met deze onvermijdelijke hypocrisie door een film te maken waarin twee jongens zomaar voor de lol een gezin vermoorden. In Funny Games werd geweld niet afgekeurd of begrijpelijk gemaakt. De Amerikaanse regisseur David Fincher gaat met Fight Club een andere kant op. De film is net zo gewelddadig als Se7en, de film waarmee hij in 1995 furore maakte. Maar het vette moralisme uit die film – Fincher haalde er zelfs de bijbel bij – is in Fight Club vervangen door snel doel treffende maatschappijkritiek. Se7en was een thriller, Fight Club is een satire. Mannen nemen in deze film geen genoegen met het kijken naar geweld, ze willen het zelf ervaren. Ze doen dat op een manier die past bij de consumptiemaatschappij die de film bekritiseert: ze richten een club op waarin ze zonder anderen lastig te vallen elkaar blauwe ogen en gebroken neuzen kunnen bezorgen. Vechten is in Fight Club net zoiets als fitnessen. De gevechten worden adembenemend in beeld gebracht; zo realistisch dat je je hand voor je ogen slaat, zo krachtig gecomponeerd dat je toch tussen je vingers door gluurt.

De visuele en verhaaltechnische flair van Fincher maakt ook de niet-gewelddadige scènes gedenkwaardig. De film begint in de hersens van een van de hoofdrolspelers en lijkt gedraaid met een camera die dwars door muren kan kijken, die ons de werkelijkheid als een kopie van een kopie kan voorschotelen of als een verheviging, ontdaan van elke kleur of verzadigd van schakeringen zwart, grijs en bloed. De film herbergt ook een scène waarin een leeg appartement razendsnel vol Ikea-meubels wordt getoverd, met namen en productinformatie over de Sture's en Billy's heen gedrukt.

De hoofdrollen worden in Fight Club gespeeld door de moderne Elkerlyc Edward Norton, en Brad Pitt, met wie Fincher al in Se7en samenwerkte. Norton, die het verhaal in een flashback vertelt, is een naamloze zakenman die zich op kantoor net zo verveelt als thuis in zijn Ikea-paradijs. Om in zijn gewatteerde leven weer echt iets te kunnen voelen, begint hij praatgroepen van terminale patiënten te bezoeken; op maandag kanker, op dinsdag tuberculose, op woensdag hersenverlamming. Tijdens een zakenreis ontmoet de verteller Tyler Durden (Pitt), een echte man die zich niet tot consument heeft laten reduceren. Hij is een eigenzinnige anarchist die zeep maakt van menselijk vet dat bij liposuctie uit verwende vrouwenlijven wordt gezogen en als operateur in een bioscoop beeldjes uit pornofilms in familiefilms verstopt. De verteller trekt bij Tyler in en samen beginnen ze met groot succes de vechtclub, die al snel filialen door het hele land krijgt.

Fight Club ontspoort in het laatste deel, waarin Tyler uit de leden van de door hem opgerichte vechtclubs een legertje recruteert dat regulier terrorisme gaat bedrijven. Er moeten gebouwen opgeblazen worden, van creditcardmaatschappijen nog wel. De verteller wordt door deze ontwikkeling wakker geschud, al is, in een laatste wending van de plot, dan niet meer helemaal duidelijk wie die verteller nu eigenlijk is.

Fight Club is door een aantal buitenlandse critici een fascistische film genoemd. Maar deze film is te slim gemaakt om er dat etiket op te kunnen plakken. Fincher veroordeelt geweld net zo gemakkelijk als hij het verheerlijkt. Mannelijke agressie is in Fight Club zowel het kwaad als de verlossing. Fincher verheft zowel zijn wijs- als zijn middelvinger; waarschuwt en heeft lak aan zijn eigen waarschuwingen. Grote kunstenaars zijn wel vaker zo dubbelzinnig. Gewiekste verkopers ook.

Fight Club. Regie: David Fincher. Met: Edward Norton, Brad Pitt, Helena Bonham Carter, Meat Loaf Aday, Jared Leto. In: 39 theaters.

    • Bianca Stigter