Zeven schrijvers hors concours

Het geheel vernieuwde en zeer fraai vormgegeven Bzzlletin is deze herfst gewijd aan zes naoorlogse Nederlandse schrijvers en een Vlaming, die volgens de redactie `hors concours' zijn. U kunt wel raden wie dat zijn. Om te beginnen `de grote drie' (Mulisch, Hermans en Reve), de dichters Lucebert en Kouwenaar, de grande dame van de Nederlandse letteren Haasse en Claus. Ook Nooteboom hoort op het lijstje, maar de redactie laat weten dat een bijdrage over diens werk `door omstandigheden helaas kwam te vervallen'.

Het oeuvre van de genoemde auteurs is volgens de redactie zo omvangrijk, invloedrijk en kwalitatief hoogstaand dat het tot `ijkpunt' is verheven. De canonisering waaraan hun werk onderhevig is geraakt, zou een onbevooroordeelde mening erover in de weg staan. Om die reden is een aantal essayisten gevraagd om vanuit een persoonlijke visie deze schrijvers `opnieuw op hun wezenlijke merites te beoordelen'.

Dat is een nogal pretentieus project en voor de gevraagde essayisten geen gemakkelijke opgave: de schrijvers om wie het draait mogen dan `hors concours' zijn, degenen die zich over hen buigen zijn dat niet en de lezer van dit Bzzlletin zal zich op basis van de bijdragen een oordeel aanmatigen over de stand van de letterkundige essayistiek in Nederland.

Mij viel het niet mee en dat terwijl ik een liefhebber ben van oeuvre-stukken en nieuwe visies op literair werk waarover alles al gezegd leek te zijn.

Erudiet is het artikel over Mulisch, geschreven door Bart Vervaeck, docent literatuurwetenschap en Nederlandse letterkunde aan de Vrije Universiteit Brussel. Persoonlijk is zijn essay niet, wel geleerd en voorzien van maar liefst 92 noten. Volgens Vervaeck vormt `de schepping' de kern van Mulisch' oeuvre en dat werkt hij overtuigend uit. Niettemin heb ik dit artikel, dat de naam `essay' niet verdient, met de grootst mogelijke moeite gelezen. Zinnen als: `in een eerste hoofdstuk bespreek ik de vormgeving [...]' en `in een tweede hoofdstuk bespreek ik de rol van het subject in het scheppen', maken veel dissertaties tot onleesbare lectuur, maar horen in een tijdschriftartikel van dertien bladzijden zeker niet thuis. Een essay moet smakelijk zijn en de lezer op een aangename manier, elegant en origineel geformuleerd, iets wezenlijks bijbrengen.

Leesbaarder, maar tegelijk oppervlakkiger is de bijdrage van Graa Boomsma over W.F.Hermans. Na een wat rommelige, maar terechte kritiek op Hans van Stratens biografie van Hermans beschrijft Boomsma hoe hij als vijftienjarige en geobsedeerd door de Tweede Wereldoorlog De donkere kamer van Damocles las. Hij ervoer het als een overweldigende leessensatie, het best te omschrijven als `door de grond gaan'. Hermans zaagde de poten onder zijn puberale illusies vandaan en legde – vermoed ik – de basis voor Boomsma's eigen schrijverschap. `Mijn enige houvast werd de literatuur.' 't Mooist aan dit essay zijn de met zorg uitgezochte citaten uit Hermans' werk – voor het overige mist het artikel een pointe, of het moest zijn dat Boomsma – aan de hand van een beschouwing over In de mist van het schimmenrijk – zijn eigen poëtica uiteenzet. `De echte schrijver heeft zijn eigen wensdromen. Hij legt zich niet neer bij het beschrijven van toevallige gebeurtenissen, hij voelt zich een componist die de wereld opnieuw vorm wil geven, opnieuw wil scheppen, opnieuw wil uitvinden.'

`Geouwehoer waar zegen op rust', luidt de titel van Onno Bloms bijdrage over Gerard Reve, onder andere gebaseerd op persoonlijke leeservaringen, biografische notities en een interview met de schrijver. Van alle artikelen in Bzzlletin is dit de meest journalistieke (Blom is literair criticus van Trouw) en misschien wel daarom de meest leesbare. Het stuk zit goed in elkaar, geeft duidelijk de hoofdthema's van Reves werk weer, maar wordt helaas ontsierd door lelijke zinnen: `Op weg naar het einde en Nader tot u zijn eenzame hoogtepunten in de Nederlandse literatuur omdat Reve alle persoonlijke details die hij prijsgeeft weet voor te stellen als van gegevens van grote belang voor de hele mensheid.'

Wat me stoort aan dit nummer als geheel, is dat voor alle auteurs mannelijke essayisten zijn aangezocht, behalve voor de enige schrijfster, Hella Haasse, die wordt besproken door Marja Pruis, recensent van De Groene Amsterdammer. Ook zij probeert een persoonlijke visie te geven, maar die poging strandt hopeloos in nietszeggende kreten zoals: `Toch zijn haar historische romans niet echt aan mij besteed. Misschien zijn ze mij te braaf en te verantwoord, of misschien interesseer ik me ook niet echt voor de figuren over wie zij schrijft.' Ze noemt Haasse `een burgertrut' en voert hiervoor het volgende bewijs aan: `Als ik een boek van Hella Haasse in bed lig te lezen ervaart mijn geliefde dat als een seksueel dieptepunt'.

Had de redactie dit liefdeloze broddelwerkje maar hors concours verklaard en in de prullenmand gegooid.

Bzzlletin. Literair magazine. 29ste jaargang, nr. 268. Uitg. BZZToH. Prijs ƒ17,50.

    • Elsbeth Etty