Visserslatijn uit de jaren '70

et beraad dat in de zomer van 1976 in het Catshuis over de positie van prins Bernhard werd gevoerd deed er op de keper beschouwd niet veel meer toe. De ministerraad was bijeengeroepen om het rapport van de commissie-Donner over de Lockheedzaak te bespreken, maar slechts een handvol ministers wist dat de kogel al door de kerk was. De enkele ministers die zich na lezing van de resultaten van het onderzoek naar de Lockheedzaak voor strafvervolging uitspraken, vonden dan ook geen gehoor. De meerderheid van hun collega's toonde trouwens weinig animo voor een gerechtelijk vooronderzoek en ging zonder veel discussie akkoord met de brief waarin het regeringsstandpunt was neergelegd: eervol ontslag voor de prins uit al zijn publieke ambten, maar geen strafvervolging.

Het was onderdeel van Den Uyls strategie om dat regeringsstandpunt zo snel mogelijk, met zo min mogelijk discussie in de ministerraad en liefst in ongewijzigde vorm naar de Tweede Kamer te geleiden. Die toeleg was niet zonder risico, want de ministerraad was er gedurende de hele periode van onderzoek (zes maanden) nog niet aan te pas gekomen. Maar Den Uyl wist de beslissing zonder averij door de ministerraad te loodsen. Het bewijs daarvan is te vinden in de concepttekst van de brief met het regeringsstandpunt waarin de beslissing om af te zien van strafvervolging wordt gemotiveerd. De passages gewijd aan de beslissing terzake van niet-strafvervolging in het concept zijn ongewijzigd in de officiële brief aan de Tweede Kamer opgenomen.

Den Uyls latere reputatie van redder van de monarchie steunde mede op de snelheid van handelen die hij in de afhandeling van de Lockheedzaak etaleerde. Op het moment dat prins Bernhards mogelijke betrokkenheid bij de steekpenningenzaak bekend werd deed Den Uyl twee dingen die optimale discretie en voorlopige rust in de tent verzekerden. Hij stelde ogenblikkelijk een commissie van onderzoek in (de commissie-Donner) en formeerde gelijktijdig een ministeriële commissie van bijstand. In die laatste commissie koos hij Van Agt (Justitie), De Gaay Fortman (Binnenlandse Zaken), Van der Stoel (Buitenlandse Zaken) en Duisenberg (Financiën). Tijdens het weekeinde, volgend op de bekendmaking van het nieuws in Washington, stelde Den Uyl de beide commissies in en de volgende maandag stemde de ministerraad ermee in, niet beseffend, dan wel niet betreurend, dat ze pas weer van het onderzoek zou horen als het was voltooid. De ministerraad had in feite met haar tijdelijke uitschakeling ingestemd.

Toen hij er weer in werd gekend was de beslissing om justitie er niet in te betrekken een uitgemaakte zaak. Ze was al in een eerder stadium – buiten de ministerraad, hoofdzakelijk met de instemming van de sleutelfiguren Van Agt en De Gaay Fortman – genomen en niet meer voor tegenspraak vatbaar. Den Uyl kon het op 25 augustus 1976 niet eens meer op een uitvoerig debat laten aankomen, omdat de zaak al was afgedaan in bilaterale onderhandelingen, die in de voorafgaande dagen tussen hem en Van Agt en koningin Juliana waren gevoerd.

Het is wonderlijk dat de ministers uit het kabinet-Den Uyl die zich de afgelopen dagen in het openbaar over de kwestie van de niet-strafvervolging hebben laten horen, zich niet meer schijnen te herinneren dat zij er destijds geheel buiten zijn gehouden en de door Den Uyl en Van Agt voorgekookte beslissing met huid en haar hebben geslikt. Ir. Henk Vredeling, de toenmalige minister van Defensie, zou zich dat het best moeten herinneren. Het was in de eerste plaats nogal merkwaardig dat hij niet in het ministeriële crisisteam was opgenomen. Het was een uitsluiting die op staatsrechtelijke gronden onhoudbaar was, gezien de formele banden die Vredeling als minister van Defensie met prins Bernhard in zijn functie als inspecteur-generaal van de krijgsmacht had. En het was lichtelijk sadistisch dat uitgerekend Vredeling ten slotte door Den Uyl werd aangewezen om prins Bernhard namens het kabinet het regeringsstandpunt aan te zeggen. In de voorbereiding was zijn mening niet gevraagd, maar als boodschapper mocht hij toch nog zijn rol spelen, zij het dat hij zich onder protest van die taak kwijtte.

Met de andere oud-ministers is ook iets mis. Óf ze wensen zich niet meer te herinneren dat ze er bij de behandeling van de Lockheedzaak in 1976 voor spek en bonen hebben bijgezeten óf ze hebben last van hypertrofie van hun geheugen. Hun verhalen beginnen op visserslatijn te lijken. De militante kanttekeningen die ze nu maken hebben toen in elk geval geen enkel effect gehad.

Dat geldt nog meer voor het dreigement van de toenmalige staatssecretaris Marcel van Dam (partijgenoot van Den Uyl) om op te stappen als prins Bernhard niet zou worden vervolgd. Den Uyl zal er ongetwijfeld van geschrokken zijn (hij werd gauw nerveus van onenigheid onder zijn politieke vrienden), maar als lid van het lagere kabinetspersoneel had Van Dam geen toegang tot de ministerraad, laat staan invloed op de discussie die in het Catshuis over het rapport van de Commissie van Drie gevoerd werd. Van Dam liet zich trouwens door Den Uyl van zijn voornemen afbrengen, hetgeen er niet op wijst dat er een diepe overtuiging in het spel is geweest.

Zeker zo frappant is dat Ed van Thijn, in die tijd fractievoorzitter in de Tweede Kamer en vertrouweling van Den Uyl, evenals Stemerdink, collega-staatssecretaris en partijgenoot van Van Dam, beiden van het bedoelde dreigement nooit zeggen te hebben gehoord. Wie gelooft trouwens dat Van Dams driftbui, die in het aan het kabinet-Den Uyl gewijde boek van Bootsma en Breedveld wordt gepresenteerd als een onthulling, Nederland in een crisis zou hebben gestort als hij er de brui aan had gegeven? Hooguit de Sdu, de opvolger van de uitgeverij die vijfentwintig jaar geleden het Lockheed-rapport over prins Bernhard uitgaf.

    • Harry van Wijnen