Verliefd op Franse auto's

Weer die goedkope oude Citroën niet gevonden deze zomer, in dat dorpje met die garagist die er zo naief uitzag? Jammer, maar helaas. La douce France laat zich niet meer bedotten door Nederlanders die denken dat het hele land er uitsluitend ter vervulling van laaglandige genoegens is neergelegd. Slechts een luttel percentage van de vier miljoen Nederlanders die jaarlijks Frankrijk bezoeken begrijpt werkelijk dat de vele campings er niet voor hen, maar in eerste instantie toch vooral zijn bedoeld voor de vakantie van de vele Fransen met lage- tot middeninkomens; dat tussen al die `rustieke' boerderijtjes die zo ruimhartig worden aangeboden en ook zo gretig worden gekocht veel bouwval zit waar geen Fransoos zijn vingers aan wil branden; en dat die schilderachtige provinciale weggetjes verhoudingsgewijs veel gevaarlijker zijn dan waar ook in Europa. En verder weet dat kleine percentage – dat meestal ook redelijk Frans spreekt en niet in het Engels of zelfs het Duits zijn eten bestelt – ook heel goed dat er geen volk gekker is op Franse auto's dan de Fransen zelf.

Het bewijs wordt geleverd door de zeker vijf landelijke tijdschriften voor liefhebbers van `klassieke' auto's die het land rijk is: de prachtige glossy genaamd Retro Viseur, het iets minder fraai uitgegeven Auto retro. De op veel goedkoper papier gedrukte bladen Retromania en Gazoline en het wekelijkse La vie de l'auto. En dan is er ook nog een uitsluitend aan Citroën gewijd blad genaamd Citropolis, dat de ene maand geheel aan de `2CV' is gewijd en de volgende maand aan DS'en, de Traction Avant en andere bekende Citroëns.

De meeste bladen besteden trouwens veel aandacht aan Citroën, dat daarmee dus niet alleen in Nederland hebzucht opwekt. In het land van oorsprong is de geschiedenis van het merk springlevend, met niet alleen nog een ruim aanbod van DS'en, CX'en of GS'en (tegen soms nog stevige prijzen), maar ook een ruim aanbod van parafernalia als videobanden met de geschiedenis van het merk, instructieboeken, technische handleidingen, oude posters en andere verzamelobjecten die passen bij de cultus rond Citroën. Die is Frankrijk niet minder dan in Nederland, getuige de vele clubs in nagenoeg elk departement.

Ook de andere Franse merken komen aan bod, zoals Renault (Gazoline restaureert een Dauphine en doet daarvan uitgebreid verslag, met een gedetailleerde beschrijving) en Peugeot, dat iets minder geliefd lijkt.

Als de toewijding waarmee een land bereid en in staat is zijn industriële erfgoed te restaureren een graadmeter is voor welzijn, dan gaat het dus goed met Frankrijk. Klassieke auto's zijn de afgelopen jaren een industrie op zichzelf geworden – de bladen zijn daarvan slechts het `symptoom'. Honderden mensen vergaren een redelijk tot goed inkomen met het verhandelen of repareren van oude auto`s, en de vraag naar klassiekers neemt toe, zeker in het rijke Noord-Europa. Veel Fransen profiteren daarvan. De interesse voor oude auto's in bijvoorbeeld Nederland zorgt ervoor dat een deel van de gestegen huizenprijzen in liquide vorm de grens overgaat, naar vaak landelijke garages in armere Franse gebieden waar een Nederlander uiteindelijk toch die forse prijs neerlegt voor een oude DS of Renault. Geen slechte belegging, als de auto tenminste in een goede staat is.

    • Z.C.A. Luyendijk