Fiscaal voordeel moet worden herzien

Fiscale privileges op het gebied van vermogensaanwas en het eigen huis moeten op den duur worden vervangen door andere toptarieven, meent Lans Bovenberg. Alleen zo kan ons belastingstelsel rechtvaardiger worden.

Vermogenswinsten vallen buiten het net van de inkomstenbelasting. De oorzaak hiervan ligt grotendeels in het feit dat rente en dividend eenvoudig in onbelaste vermogenswinsten kunnen worden omgezet. Zo wordt lenen om te beleggen extra aantrekkelijk: de rentekosten zijn aftrekbaar tegen hoge marginale tarieven, terwijl de inkomsten uit de beleggingen niet belast worden.

Om het omzetten van beleggingsinkomsten in onbelaste vermogenswinsten te ontmoedigen en het fiscale evenwicht tussen lenen en beleggen te herstellen stelt het kabinet in zijn belastingplan voor de 21ste eeuw een forfaitaire heffing op vermogensinkomsten voor.

Deze `vermogensrendementsheffing' van 30 procent over een forfaitair rendement van 4 procent lijdt echter aan twee euvels. In de eerste plaats staat zij op gespannen voet met het draagkrachtbeginsel. De slimme, welgestelde belegger, die het zich kan veroorloven om risicovol te beleggen en daarom een hoog rendement realiseert, betaalt een lager effectief tarief over het genoten rendement dan de spaarder die het met een lager rendement moet doen. Zo worden pechvogels en dommeriken belast en slimme jongens en gelukvogels ontzien.

Het tweede probleem van het kabinetsvoorstel is dat het niet voldoet aan de eis van een symmetrische behandeling van beleggingsinkomsten en hypotheekrente. Zo kunnen midden- en hogere inkomens feitelijke hypotheekrente tegen hogere marginale tarieven aftrekken (in de kabinetsvoorstellen lopen de tarieven op tot boven de 50 procent) dan het tarief waartegen de werkelijke beleggingsinkomsten worden belast. Fiscale prikkels moedigen mensen aan om hun huis met schuld te financieren en hun eigen vermogen elders te beleggen. Het fiscale systeem blijft zo kwetsbaar voor belastingarbitrage. De rente die een hypotheekgever aftrekt wordt bij de ontvanger van die rente in het algemeen tegen een veel lager tarief belast, zeker ook omdat veel rente-inkomsten toevallen aan onbelaste institutionele beleggers.

Om beter recht te doen aan het draagkrachtbeginsel stellen veel fiscalisten als alternatief voor de vermogensrendementsheffing een vermogenswinstbelasting voor. Deze belasting slaagt er echter ook niet in om het fiscale evenwicht tussen lenen en beleggen te herstellen, omdat de vermogenswinstbelasting pas bijt op het moment dat men de vermogenswinsten realiseert. Door het realiseren van de vermogenswinsten uit te stellen kan men de heffing grotendeels omzeilen; het effectieve tarief ligt lager dan het nominale tarief. De vermogenswinstbelasting zet daarmee de deur open voor belastingarbitrage waarbij men rentekosten en vermogensverliezen direct aftrekt maar vermogenswinsten uitstelt. Zo blijft het fiscale systeem kwetsbaar.

Een aantrekkelijk alternatief voor de forfaitaire heffing is een vermogensaanwasbelasting op financiële waarden. Deze heffing belast de feitelijke vermogensaanwas, onafhankelijk van het al of niet realiseren daarvan. Deze belasting vereist wel een vermogensadministratie, maar dit is de onvermijdelijke prijs voor een rechtvaardiger belastingstelsel. Solidariteit vereist nu eenmaal dat we iets van elkaar weten.

De moderne informatietechnologie komt hier goed van pas. In de Verenigde Staten – die vaak de trend zetten op fiscaal gebied – is zo'n vermogensaanwasbelasting een serieuze optie. Een vermogenswinstbelasting kan overigens effectief in een vermogensaanwasbelasting worden omgezet door bij realisatie rente in rekening te brengen voor de uitgestelde belastingheffing.

Het tarief van zo'n vermogensaanwasbelasting kan niet hoger zijn dan zo'n 30 procent. Dit is het maximum dat een kleine open economie als Nederland met een open kapitaalmarkt zich kan veroorloven. Het evenwicht tussen lenen en beleggen vereist dan wel dat de aftrekbaarheid van hypotheekrente geleidelijk wordt beperkt tot datzelfde tarief van zo'n 30 procent. Ook onder de door het kabinet voorgestelde forfaitaire heffing is een dergelijke beperking op termijn geboden om het evenwicht tussen lenen en beleggen te herstellen.

Daarnaast vereist de volledige aftrekbaarheid van hypotheekrente – tegen het tarief waartegen vermogensaanwas wordt belast – dat de fiscale bijtelling voor inkomsten uit het eigen huis (het zogenoemde huurwaardeforfait) geleidelijk wordt verhoogd.

De huidige jaarlijkse fiscale bijtelling van 1,25 procent van de waarde van de woning is laag. Dit komt omdat het eigen huis door de fiscus slechts voor een deel wordt gezien als een belegging en voor het andere deel als een duurzaam consumptiegoed. Deze redenering impliceert echter dat na de afschaffing van de aftrekbaarheid van consumptieve rente ook de hypotheekrente – voorzover die valt toe te rekenen aan het consumptieve deel van het woongenot – niet meer aftrekbaar dient te zijn.

Om het fiscale evenwicht tussen lenen en beleggen te waarborgen kan de volledige aftrekbaarheid van de hypotheekrente (tegen hetzelfde tarief als waartegen vermogensaanwas wordt belast) alleen worden gehandhaafd als het eigen huis geheel als belegging wordt gezien. Dit impliceert een hoger huurwaardeforfait.

Deze maatregelen, die vooral de hogere inkomens treffen, bieden ruimte voor een verlaging van de toptarieven op weg naar een flat tax op arbeidsinkomen van zo'n 40 procent. Een lager toptarief op arbeidsinkomen verkleint het verschil met het 30 procentstarief op beleggingsinkomsten. Een kleiner tariefsverschil is rechtvaardiger en vermindert de neiging om arbeidsinkomen fiscaal te classificeren als beleggingsinkomen. Op termijn kan het tarief op arbeidsinkomen naar het tarief op beleggingsinkomen toegroeien. Dit is zeker zo als de BTW verder wordt verhoogd en pensioenuitkeringen ook onder het volle tarief op arbeidsinkomen worden gebracht.

Een dergelijke flat tax biedt nog volop ruimte om via heffingskortingen speciale voorzieningen te creëren voor lagere inkomens, gezinnen met kinderen, ouderen, en werkenden. Het geleidelijk uitruilen van fiscale privileges voor vermogensaanwas (inclusief pensioenen) en het eigen huis tegen lagere toptarieven maakt ons belastingstelsel dan ook rechtvaardiger, eenvoudiger en robuuster.

Het toewerken naar zo'n fiscaal stelsel waarvan iedereen uiteindelijk beter wordt is een belangrijke uitdaging voor de Nederlandse politiek in het begin van de 21ste eeuw.

Prof.dr. A.L. Bovenberg is hoogleraar algemene economie aan de Katholieke Universiteit Brabant.

    • Lans Bovenberg