Churchills of Hitlers eeuw?

,,Wie zijn de meest in het oog springende wereldburgers van de twintigste eeuw? Wie hebben bij uitstek hun stempel gezet op het aanzien van onze planeet?'' Deze vragen legde de redactie van de Volkskrant voor aan vier Nederlanders en een Vlaamse: de schrijfster Kristien Hemmerechts, de bankier Alexander Rinnooy Kan, oud-burgemeester en oud-minister Ed van Thijn, de historicus Doeko Bosscher en een lid van haar eigen hoofdredactie, Paul Brill.

Nu dient eerst opgemerkt te worden dat de twee vragen elkaar niet volkomen dekken. De meest in het oog springende wereldburgers hoeven nog niet bij uitstek hun stempel op het aanzien van onze planeet gezet te hebben. En omgekeerd. Trouwens, kunnen we in 1999 al zeggen wie bij uitstek zijn of haar stempel op deze eeuw gezet heeft? Dat is, op z'n vroegst, pas over vijftig jaar mogelijk.

Het antwoord op die vragen hangt ook erg af van de optiek van de beantwoorder. Dat lijkt een waarheid als een koe, maar een Aziaat, een Afrikaan of zelfs een Amerikaan zal noodzakelijkerwijs tot een andere keus komen dan de bewoner van het kleine stukje Europa dat Nederland en Vlaanderen beslaan. De optiek van een Fransman of een Duitser zal al anders zijn. Het hangt grotendeels af van de geschiedenis en de geografie van iemands land.

Wanneer we ons bepalen tot de politici die door de vijf zijn uitverkoren, dan valt op dat op elk van de vijf lijstjes er drie staan: Winston Churchill, Nelson Mandela en Martin Luther King (die overigens geen politicus in de eigenlijke zin was). Opmerkelijk is ook dat Adolf Hitler op vier van de lijstjes staat, maar juist niet op dat van de historicus.

Waarom is dat opmerkelijk? Churchill was zeker een in het oog springende wereldburger. Ja, meer dan dat: zijn moed heeft in 1940/41 gemaakt dat Hitler niet de eindoverwinning heeft behaald. Maar draagt het aanzien van onze planeet nog steeds zijn stempel? Dat moet betwijfeld worden. Hij was, geboren in 1874, eerder een man van de vorige dan van deze eeuw.

Daarentegen moet helaas geconstateerd worden dat Hitler wel degelijk zijn stempel op het aanzien van onze planeet heeft gezet. Hij is weliswaar al ruim een halve eeuw dood, maar de wereld draagt nog zijn stempel – niet als voorbeeld, maar als antivoorbeeld.

Nog steeds wordt immers gerefereerd aan de Tweede Wereldoorlog of, om bij ons land te blijven, aan de bezettingsjaren. Die zijn zonder Hitler ondenkbaar en gelden nog steeds als ons referentiepunt. Als geroepen wordt: `Dat nooit weer!', als het antiracisme een onaanraakbare ideologie is, dan komt dat doordat Hitler hier, in Europa, gewoed heeft. In zoverre is zijn invloed, zij het in averechtse zin, nog altijd voelbaar, anders dan die van bijvoorbeeld Churchill.

Maar ook in ander opzicht is zijn invloed beslissend geweest. Sinds de Verlichting, dus bijna tweehonderd jaar lang, leefde de wereld – althans de Westerse wereld – in het geloof dat de mens een redelijk wezen is. Sigmund Freud – die overigens ook op alle lijstjes staat – heeft weliswaar dit geloof aan het wankelen gebracht, maar de democratie bleef toch van die premisse uitgaan. Hitler heeft dat geloof een bijna dodelijke slag toegebracht.

Het is immers gebleken dat miljoenen heel normale, min of meer beschaafde en min of meer fatsoenlijke mensen zich door Hitler op sleeptouw hebben laten nemen en zijn misdaden, zo zij er niet actief aan hebben deelgenomen, op z'n minst hebben vergoelijkt of er hun ogen voor hebben gesloten. Het was een gedrag tegen de ratio, en dat op massale schaal.

Laat niemand zich van een verklaring van dit verschijnsel afmaken door te zeggen dat dit typisch Duits was. Weliswaar was de democratie vóór Hitler nog niet zo geworteld in Duitsland als in de landen van West-Europa, maar dat verklaart op zichzelf nog niet de medeplichtigheid van miljoenen aan de waanzin die van 1933 tot 1945 in Duitsland, en in het door Duitsland bezette Europa, tierde.

De waarheid moet onder ogen worden gezien dat, afhankelijk van de constellatie waarin zij zich bevinden, ook andere Europese volken door zo'n waanzin bevangen kunnen worden. Ook in hun democratische fase zijn zij trouwens vaak onderhevig aan massapsychoses, die gelukkig minder moorddadig zijn dan in Duitsland, maar niettemin niet het resultaat van de rede genoemd kunnen worden. Heel wat mensen juichen dit laatste vaak juist toe, als het doel in hun ogen tenminste goed is.

Ook moeten we niet in de fout vervallen te menen dat de rede altijd een waarborg is tegen irrationele massareacties. De rede heeft ook – het ligt in haar wezen – allerlei taboes gesloopt en normen aangetast. Het is heel wel mogelijk dat die grotendeels uitingen van bijgeloof waren, maar bij elkaar vormen zij het weefsel van een samenleving en haar cultuur. Naarmate dat weefsel verzwakt, is de samenleving kwetsbaarder voor irrationele verschijnselen.

Het kan ook anders gezegd worden: naarmate de religie – religie betekent binding – aan invloed verliest, neemt de ontvankelijkheid voor pseudoreligies toe. Dit is geen pleidooi voor herstel van de religie, slechts de constatering van een, zo niet bijna dwangmatige, dan toch dialectische loop van de geschiedenis.

Hitler heeft, voor wie het wil zien, de kwetsbaarheid van ons op de rede berustende maatschappelijke en culturele bestel aangetoond. In zoverre heeft hij een eind gemaakt aan het tijdperk van de rede en moet hij gelden als iemand die, meer dan wie ook, in deze eeuw zijn stempel heeft gedrukt op het aanzien van onze planeet.

    • J.L. Heldring