Zuidam laat de Tay-spoorbrug gillend instorten

Een brug kan instorten, maar geldt dat ook voor een muziekstuk? Zaterdagavond in de Beurs van Berlage kwam die gedachte op tijdens een componistenportret van Rob Zuidam (1964), waarbij zijn McGonagall liederen voor sopraan en ensemble verreweg het meest de aandacht trokken. Ze gaan over een nieuwe spoorbrug over de Tay, zoals die in geëxalteerde bewoordingen wordt beschreven door de Schotse dichter William McGonagall (1825-1902). Lof oogstten vooral de zware, stenen pijlers en de dertien middenbalken. Sterk genoeg, zo meende men, om zelfs de zwaarste stormen te kunnen doorstaan.

De eerste delen, een lange inleiding voor twee piano's en een Address to the New Tay Bridge waren reeds eerder gespeeld. Nu klonken voor het eerst een korte inleiding en het slotdeel The Tay Bridge Disaster. Een ramp, want toen de trein uit Edinburgh vertrok met passagiers die thuis de oudejaarsavond wilden doorbrengen, begaven de draagbalken het en kleurden de lijken van negentig passagiers de zilveren Tay bloedrood. Luid schreeuwt in het gedicht de stormduivel en luid gilt in de muziek de coloratuursopraan, Monique Krüs, trappend op negentig pingpongballen die zij kort tevoren over het podium heen smeet. Geënsceneerd hoeft deze mini-opera niet!

De muziek verloopt van een akkoordisch trage beweging naar een meer lineaire, snellere gang. Emotioneel sterk werkt te midden van het gewoel de invoering van een rustig koraal. Wel raakt het dramatische gebaar te veel aan de hysterie, aan de catastrofe lijkt maar geen eind te komen. De muziek is soms filmisch-realistisch, zoals in het gebibber op `B-b-b-ut when the train came near', of in het onheilspellend geblaas van de noordenwind en de knekelmuziek bij `On the last Sabbath day of 1879'.

Opmerkelijk is weer wel dat al deze effecten totstandkomen met een minimaal ensemble van slechts vijf strijkers, twee piano's en slagwerk, terwijl je niet zelden het gevoel hebt naar een compleet symfonieorkest te luisteren. Dirigent Jurjen Hempel en de zijnen haalden er dan ook alles uit.

De vorm is dubieus. De componist noemt zelf de opzet van twee pijlers, gevormd door instrumentale stukken, met daartussen de twee liederen als bogen van de brug. Maar bij het tweede pianoduo is er slechts sprake van een minimaal boogje in de vorm van een kort verstild intermezzo, terwijl het eerste duo juist ten opzichte van de rest weer veel te lang is uitgevallen.

Stortte daarmee dit monodrama in, zoals de brug over de Tay? Toch niet, want al die delen zijn los zeer wel te genieten, al is het slotdeel overdone. Drie keer beluisterde ik inmiddels het eerste deel, en elke keer vond ik die opening sterker, ook wat timing betreft steeds beter gespeeld. Technisch stond het pianoduo Gerard Bouwhuis-Cees van Zeeland nu geheel boven de materie.

Met Spank voor pianosolo uit 1990 in een vermenging van salsa- en rockelementen is er iets vreemds aan de hand. Als het al te superieur wordt uitgevoerd, werkt het niet. De pianist moet je horen en zien worstelen. Zoals Rubinstein eens stelde, dat het publiek niet kan genieten van iets moeilijks als het te gemakkelijk wordt gespeeld.

Zuidam is veruit op zijn best in dergelijke uitgecomponeerde agressie, opzwepend ritmisch fel aangezet. Het wat schetsmatig gebleven nieuwe Concert voor elektrische gitaar en strijkorkest is meer sprookjesachtig met de gitaar als aanjager voor uitwaaierende, fraai verglijdende strijkers. Zuidam is sterker als hij de zweep hanteert om pianisten of slagwerkers op te jagen. Dán vooral blijft zijn muziek recht overeind.

Concert: Nederlands Kamerorkest o.l.v. Jurjen Hempel. Werken van Rob Zuidam. Gehoord: 30/10 Beurs van Berlage Amsterdam. Radio 4 6, 13/11.

    • Ernst Vermeulen