VN-missie Tsjetsjenië moet daadkracht tonen

In de crisis die zich de afgelopen weken in de Kaukasus heeft ontwikkeld staan hulpverleners machteloos, tandenknarsend en gefrustreerd aan de kant. Het blijft raden hoe hoog de nood er precies is. De gestage stroom van berichten uit het gebied is echter onheilspellend: willekeurige aanvallen op dorpen, grote aantallen burgerslachtoffers, het tegenhouden van vluchtelingen aan de grens met Ingoesetië en vooral de onmogelijkheid voor humanitaire organisaties om in het gebied te opereren. Als hulp niet snel op gang komt, zullen met het invallen van de winter uitputting en ziektes hun tol gaan eisen.

Waarom ís er eigenlijk nauwelijks hulp in Tsjetsjenië? En om bij onszelf te blijven, waarom is Artsen zonder Grenzen niet ter plaatse? Hulporganisaties hebben slechte ervaringen in Tsjetsjenië. Juist internationale hulpverleners zijn in dit gebied nadrukkelijk doelwit geworden van een gewelddadige kidnapindustrie. Sinds haar komst in 1995 kreeg Artsen zonder Grenzen twee keer te maken met ontvoering van haar medewerkers. Zinvolle hulpverlening in het gebied was daarmee zo goed als onmogelijk geworden en net als de meeste andere organisaties vertrok Artsen zonder Grenzen in 1997. Daarmee werd Tsjetsjenië een blinde vlek op de wereldkaart.

Het is niet zo dat de aanwezigheid van humanitaire hulpverleners het conflict in Tsjetsjenië had kunnen voorkomen of beëindigen. De laatste jaren is er vaak kritiek geuit op humanitaire interventies: humanitaire hulp redt niet alle slachtoffers van rampen en conflicten; humanitaire hulp beëindigt geen conflicten; humanitaire interventies kunnen oorlogen zelfs compliceren en verlengen. In complexe conflicten is het belang van humanitaire hulpverlening echter vooral een kwestie van aanwezigheid. Door aanwezig te zijn in landen waar conflicten heersen, kunnen hulpverleners vooral opkomen voor de basisrechten van slachtoffers en er bij de partijen op aandringen om mensenrechten en internationale verdragen te respecteren. Op die manier kunnen hulpverleners dus een menselijk element terugbrengen in een onmenselijke omgeving.

In 1971 werd Artsen zonder Grenzen opgericht om op te komen voor het recht op humanitaire interventie. Dikwijls werd de soevereiniteit van landen belangrijker gevonden dan de mensenrechten en liet de wereld toe dat leiders hun bevolking doodden en onderdrukten. Artsen zonder Grenzen heeft altijd gestreden voor het recht van ieder mens op humanitaire hulp. Dat is een zaak van menselijkheid, van medische ethiek en het is bovendien vastgelegd in internationale verdragen. Grenzen en internationale politiek mogen deze principes niet in de weg staan.

Nu, 28 jaar later, stuiten we opnieuw op zo'n grens. In Tsjetsjenië maken bendes hulpverlening onmogelijk. Lokale autoriteiten, die streven naar afscheiding van de Russische Federatie, zijn er niet in geslaagd hun bevolking veiligheid en zorg te geven. En Rusland voert er een strijd die het rechtvaardigt als een strijd tegen het terrorisme, maar die de bevolking tegelijkertijd onevenredig hard treft.

De internationale gemeenschap kan hier niet afzijdig blijven. De voorgenomen VN-missie naar het gebied zou in dat opzicht het eerste goede nieuws kunnen zijn. De omstandigheden waaronder dit bezoek gaat plaatsvinden zijn echter weinig geruststellend. Zo zal de missie slechts de buurlanden en niet Tsjetsjenië zelf bezoeken. Bovendien zal zij door het gebied reizen onder zware bescherming van Russische keurtroepen. Op die manier is het onmogelijk een objectief beeld van de humanitaire situatie te krijgen. De simpele ontkenning door Rusland van de vele berichten over burgerslachtoffers is niet voldoende. Dat de bevolking massaal op de vlucht slaat is veelzeggend en de afsluiting van grensovergangen voor vluchtelingen is eenvoudig onaanvaardbaar. Het ontbreken van bijstand voor de vluchtelingen en de onmogelijkheid voor Tsjetsjeense vluchtelingen om door te reizen naar familie of kennissen in andere gebieden van de Russische Federatie is eveneens onacceptabel. Deze boodschap zal door de VN in elk geval duidelijk aan de Russische autoriteiten moeten worden overgebracht.

De VN-missie alléén is echter niet genoeg. Eerder dit jaar nam de internationale gemeenschap de verantwoordelijkheid op zich voor de humanitaire wantoestanden in Kosovo en later in Timor. Hoe verschillend deze crises ook waren, het lijden van mensen is overal hetzelfde.

Het wordt tijd dat de internationale gemeenschap ook in Tsjetsjenië haar afzijdigheid doorbreekt. Internationale druk moet de verantwoordelijke partijen op hun plicht wijzen om de veiligheid van de bevolking te garanderen en onafhankelijke humanitaire hulp mogelijk te maken. Wanneer de partijen daartoe zelf niet in staat blijken te zijn, is nauwere betrokkenheid van de internationale politiek onvermijdelijk. De strijdende partijen moeten de rechten van hun bevolking garanderen en het onafhankelijke hulpverleners mogelijk maken slachtoffers bij te staan. Wanneer ze daarin falen, moet de internationale gemeenschap een actieve rol op zich nemen.

Het is hoog tijd dat de onheilspellende stilte rond Tsjetsjenië wordt doorbroken.

Austen Davis is directeur van Artsen zonder Grenzen.

    • Austen Davis