Verschrikkingen van het Noorden

Het was vakantie. We zochten avontuur. Bertje P. en ik. We hadden aangemonsterd op de Stad Vlaardingen, een ouderwets en traag vrachtschip dat onder een donkere rookpluim door de Noordzee zwoegde. We zouden erts halen in Noorwegen.

Ik was ketelbinkie bij de stokers in het vooronder, Bertje P. voor de matrozen op het achterdek. We hielden hutten schoon, maakten kooien op en dekten de tafel in de mess. Eten voor de bemanning haalden we uit de kombuis midscheeps. Daar waren koks voor roodgloeiende fornuizen in de weer. Hitte benam je de adem. Toen ik namens de stokers klaagde over een kakkerlak die in de pap was aangetroffen, goot een van de koks een pollepel kokend water langs de achterkant van zijn fornuis en terwijl een wolk kakkerlakken tegen de wand omhoog vluchtte, beet hij me toe: `Wees blij dat het er maar één was!'

Op woensdag moest ik tabak en jenever halen voor de stokers. De donkeyman herinnerde me daar dagelijks aan. Hij was een Griek. Werkte voor de bruidsschat van zijn twee zusters. En dronk. Zijn maats hadden `om hem te genezen' een in de menie gedoopte rat in zijn hut losgelaten. Het had hem niet ontnuchterd. Waarschijnlijk zouden zijn zusters nooit trouwen.

De eerste woensdag – toen ik het rantsoen bij de tweede stuurman had gehaald – stond de donkeyman mij op te wachten, griste de drank uit mijn handen en verdween in zijn hut. `Die jenever is niet te zuipen!' hoorde ik hem klagen. `Bocht is het! Bocht!' Er bleef geen druppel over.

Op een nacht werd ik wakker van een hels lawaai dat het sonore geluid van de machines overstemde. Ik voelde hoe het schip werd opgetild en wegzonk en weer werd opgetild. In de mess schoven de stoelen over de vloer, klepperden de kastdeuren en kletterden borden en glaswerk uit de kasten. Ik klom uit mijn kooi en ging de ravage te lijf. Toen ik de volgende ochtend de kombuis probeerde te bereiken om pap te halen, was de lucht grijs. Het schip stak zijn boeg in de golven en buiswater plensde over het dek. Boven de reling waren netten gespannen voor het geval een over de boeg slaande golf me zou grijpen.

Het was onder deze omstandigheden een nog hachelijker karwei koffie aan de stokers te brengen. Als ik de stalen deur van de machinekamer opende, kwam een zware lucht van olie en het bulderen van de motoren me uit de diepte tegemoet. Ik daalde behoedzaam af. De ijzeren treden glommen van het vet. Ik hield stil als het slingeren van het schip en de zuigkracht van de afgrond me te heftig werden. De zware cadans van de motoren resoneerde in mijn ingewanden. Ik vond de mannen op verschillende niveaus, bezig met toezicht op sissende ventielen, pompende drijfstangen en driftig draaiende raderen. Ik eindigde mijn tocht naar de onderwereld waar kolen in het verblindende – door vinnen aangejaagde – vuur werden geschept. Het naakte bovenlijf van de stoker glom als was hij onderdeel van de machine. Hij zette zijn schop in het zwarte gruis en schreeuwde dat als het schip verging mijn kansen hierbeneden nihil waren.

We passeerden de poolcirkel. Een rots lag als een zwerfkei in zee. Een baken. Kaal en onherbergzaam. De kust begon te dagen. We voeren een fjord in. We naderden Narvik waar het zonlicht in zomernachten niet verdwijnt maar achter de bergtoppen blijft hangen. We gingen aan wal. Bertje P. en ik keken nieuwsgierig om ons heen naar cafés, nachtclubs, dancings en vrouwen van wie de mannen allemaal – had men aan boord beweerd – verweg in de ertsmijnen werkten. We hadden een tijdje rondgeneusd toen Bertje P., die voor me uitliep, op een hoek stokstijf bleef staan. Ik kwam behoedzaam naderbij en zag wat hem als aan de grond genageld hield. Een ijsbeer! Spierwit en ontzagwekkend. De ene poot voor de andere. Alsof hij door onze verschijning in zijn loop was gestuit. Klaar voor de sprong. Maar doodstil. Te stil, zou je zeggen. Een etalageruit ving zijn spiegelbeeld. Wat konden we doen? Bertje P. en ik deinsden stapje voor stapje achteruit. We wisselden geen woord. Ons afvragend hoe een beer uit de bergen of de poolvlakte hier kon verdwalen. Tot het hoekhuis ons het zicht op de ijsbeer benam. We draaiden ons om en wilden het op een lopen zetten. Maar de donkeyman – een toevallige passant – versperde ons de weg, verbaasd over onze lijkbleke gezichten. `Een ijsbeer', stamelde Bertje P. De donkeyman grinnikte. `Zal ik je op zijn rug zetten, ventje?' Hij nam Bertje P. bij de arm en liep naar de hoek. Toen begon hij te schateren. Ik volgde bedremmeld. De beer stond er nog. Doodstil, als een monument voor de beren waarvan de huiden – dat zagen we nu pas – als bontmantels in een etalage hingen. De donkeyman rolden de tranen van het lachen over de wangen. Ons stond het huilen nader.

Tijdens de terugreis steeg ons avontuur in de toptien. Iedereen wist ervan. En toen ik in Rotterdam van boord ging, riep een van de stokers me na: `Pas op dat een ijsbeer je niet grijpt! Anders moeten we jóu nog opzetten!'

Thuis verzwegen we het verhaal. Dezer dagen kwam mijn monsterboekje boven water. Op de eerste pagina: Aanvang zeemansloopbaan 2 augustus 1957. De rest bleef oningevuld.

    • Rense Royaards