Rossini's Otello is Shakespearemoord

In aanwezigheid van de koningin van de Matinee op de Vrije Zaterdag – Nelly Miricioiu, die vanaf donderdag in het Amsterdamse Muziektheater de titelrol in Tosca zingt – klonk zaterdag in het Amsterdamse Concertgebouw een enthousiast ontvangen concertante uitvoering van Rossini's opera Otello. De Italiaanse coloratuursopraan Mariella Devìa zong de rol van Desdemona, een rol die ook perfect was geweest voor Miricioiu. De in Amsterdam zo geliefde sopraan had zelfs de titelrol kunnen zingen! Giuditta Pasta en Maria Malibran, de twee beroemdste sopranen van het begin van de 19de eeuw, vonden de rol van Desdemona te saai en zongen in travestie ook de rol van Otello, nu vertolkt door de tenor Bruce Ford.

Rossini's Otello (1816, ook het jaar van Il barbiere di Siviglia), is gemakkelijk te kwalificeren als een van de fundamenten onder de 19de-eeuwse Italiaanse opera. Het tegenwoordig zelden uitgevoerde werk is opmerkelijk anders dan Shakespeare's toneelstuk Othello, dat in 1887 door Verdi tot opera werd gemaakt. Librettist markies Francesco Berio di Salsa herstelde voor Rossini veel van het complexe oorspronkelijke verhaal uit Giraldi Cinthio's Hecatomithi (1566). Shakespeare had het gestroomlijnd en omgevormd tot een psychologisch drama over jaloezie en gefrustreerd eergevoel met Jago als een vileine intrigant.

Bij Rossini zijn Otello en Desdemona niet getrouwd en wordt Desdemona door haar vader uitgehuwelijkt aan Rodrigo. Dat hoort zij tot haar schrik pas op de bruiloft. Die gaat niet door als Otello zijn geliefde voor zich opeist. Later vraagt Desdemona zelfs de afgewezen Rodrigo haar te helpen Otello's vrouw te worden, terwijl Otello door het geïntrigeer van Jago aan haar liefde twijfelt en na een duel met Rodrigo wordt verbannen. Jago wordt door Rodrigo vermoord. Uiteindelijk doodt de vertwijfelde Otello Desdemona. Terwijl haar lijk achter een gordijn ligt, komt haar vader – onwetend van de moord – Otello in zijn eer herstellen en biedt hem Desdemona als echtgenote aan. Daarop pleegt Otello zelfmoord.

Stendhal noemde het libretto `een orgie van blunders' en Byron vond dat Shakespeare's Othello was `gekruisigd'. In Rome ging deze Otello zonder de twee moorden aan het slot: dát was pas moord op Shakespeare! Maar de keuze voor het Shakespeare-verhaal en Rossini's vernieuwingen in de serieuze operaschrijfstijl hadden hun invloed op Bellini en Donizetti (die verschillende `Engelse' opera's schreef), op Verdi en zelfs nog op het laat 19de-eeuwse verismo. Ten opzichte van de 18de-eeuwse operastijl met zijn strenge scheiding tussen recitatieven en aria's is de vorm van Otello enigszins vrijer met nauwelijks solo-aria's en juist veel duetten en een enkel terzet, die aan kleinere rollen een natuurlijker profiel geven. Het gondelierslied, dat met een tekst van Dante bij de gekwelde Desdemona naar binnen waait, is een aantrekkelijke vondst.

Veel muziek in Otello is `typisch Rossini' en lijkt soms zelfs rechtstreeks ontleend aan zijn Barbier. Maar de virtuoze hoornsolo en de harpbegeleiding bij het Wilgenlied zijn zeer effectief en Rossini's grote kwintet met koor loopt vooruit op het fameuze sextet Chi mi frena in tal momento uit Donizetti's Lucia di Lammermoor (1835). De situatie is ook dezelfde: een door de minnaar verstoorde bruiloft. En Rossini's versie van Desdemona's Wilgenlied in de derde acte (Assisa a piè d'un salice) klinkt door in Verdi's Canzon del salice. Rossini's slotscène met het theatrale horroreffect, loopt vooruit op de afloop van Leoncavallo's Pagliacci (1892).

Helaas voor Rossini is veel van wat later door anderen opwindender uitgewerkt zou worden, nog slechts in aanleg aanwezig in zijn Otello, die muzikaalhistorisch vaak interessanter is dan muzikaaldramatisch. Zo bleek de slotscène, zeker in deze concertante uitvoering, weinig schokkend. Misschien lag dat ook wat aan dirigent Kenneth Montgommery, die het koor nogal hard liet zingen. En hoewel de rol van Desdemona minder passief en onschuldig is dan bij Verdi, had die toch wat weinig reliëf. Mariella Devìa zong technisch wel heel prachtig verzorgd en uiterst verfijnd, maar kwam soms wat onpersoonlijk over. Miricioiu zou emotioneler en bezielder hebben gezongen.

Ook Bruce Ford bereikte snel de grenzen van zijn expressiviteit en wist de dimensies van deze titelrol niet geheel waar te maken. Juan José Lopera was een keurige Jago, Marina Comparato een opmerkelijke Emilia, maar het best van al was de Argentijnse tenor Raúl Gimenez. Hij liet zich verontschuldigen wegens keelpijn, maar wat er klonk was een en al rijk getimbreerde pure passie.

Otello wordt vanavond om 19.30 uur herhaald in de Rotterdamse Doelen.

    • Kasper Jansen