In Kosovo had uitwissen sporen hoge prioriteit

Forensische experts hebben in Kosovo nog maar weinig lijken gevonden. Overdreef de NAVO de Servische terreur? Of hebben de Serviërs gewoon goed opgeruimd?

Een half jaar na de intocht van de NAVO levert de zoektocht naar de killing fields van Kosovo veel minder resultaat op dan verwacht. De Britse Sunday Times schatte gisteren dat het aantal Albanese slachtoffers van de oorlog de 2.500 niet zal overschrijden. Dat is beduidend minder dan de schatting van 10.000 doden van de Britse onderminister van Buitenlandse Zaken Geoff Hoon in juni. En dramatisch veel minder dan de 100.000 doden die de Amerikaanse minister van Defensie Cohen tijdens de oorlog nog suggereerde.

Na de intocht van de vredesmacht KFOR in juni zijn ruim 300 forensische experts uit 15 landen over Kosovo uitgezwermd om in opdracht van het Joegoslavië-tribunaal te zoeken naar sporen van oorlogsmisdaden. Nu de grond bevriest, kan het tribunaal een eerste tussenbalans opmaken. 150 van de 402 `war crimes sites' hebben niet duizenden, maar honderden lijken opgeleverd. Daarbij moet bedacht worden dat de experts dit jaar de voorrang gaven aan meldingen van massagraven die het meest `veelbelovend' waren. Deze maand brengt hoofdaanklager Carla del Ponte van het tribunaal verslag uit aan de VN-Veiligsheidsraad.

De patholoog Emilio Perez Pujol, die een Spaans forensisch team leidde, vond in Kosovo veel minder lijken dan verwacht. In Rwanda vond Pujol in 1995 een berg van 450 vrouwen en kinderen met gekliefde schedels. In het geval van Rwanda, waar in 1994 naar schatting bijna een miljoen Tutsi's en gematigde Hutu's werden afgeslacht, weigerde de regering-Clinton destijds pertinent te spreken van genocide. In het geval Kosovo nam dezelfde Clinton het woord veelvuldig in de mond. Onterecht, zo liet Pujol vorige maand al in El Pais weten. ,,Oorlogsmisdaden? Ja. Genocide? Nee.''

Pujol, voorbreid op het ergste, arriveerde met uitrusting om tweeduizend secties te verrichten. Zijn grootste massagraf – 97 lichamen – lag bij Istok, waar de NAVO eind mei een gevangenis bombardeerde. Pujol onderzocht of de Albanese gedetineerden waren gedood door NAVO-bommen of door hun Servische cipiers. Het beeld bleek gemengd: een deel van de gedetineerden was gestorven door bomscherven, een ander deel door mitrailleurkogels.

Istok was meteen het laatste massagraf dat Pujol vond. De verdere speurtocht op basis van Albanese getuigenverklaringen bleek frustrerend. Pujol vond – naast de 97 van Istok – slechts 90 lichamen, alle in individuele graven. ,,Vier van de vijf bleken te zijn overleden aan natuurlijke oorzaken'', aldus Pujol. ,,Op 12 september heb ik mijn mensen bijeen geroepen en gezegd: `We hebben het gehad hier'.'' Pujols zoektocht naar massagraven werd ,,een semantische pirouette van de oorlogspropaganda-machines. We vonden geen enkel – geen enkel! – massagraf.''

De twijfel over Kosovo's killing fields werd vorige maand aangewakkerd door de conservatieve website Stratfor, een denktank die zich exclusief baseert op nieuwsbronnen op Internet (Stratfor.com). Stratfor wees op het onderzoek van vijftig forensische specialisten van de FBI in Kosovo. Zij vonden slechts tweehonderd lichamen in dertig veronderstelde massagraven.

Voor de `zwarte legende' rond de Trepca-mijnen in het noorden werd ter plekke ook geen bewijs gevonden. Serviërs, zo heette het, zouden daar al vanaf september 1998 vrachtwagens met Albanese lijken hebben aangevoerd. In oude mijnschachten zouden zevenhonderd, misschien zelfs meer dan duizend lijken zijn gedumpt. Daarvan is nog geen spoor gevonden. En zo zijn er nog meer voorbeelden. Een massagraf met 350 lijken in het dorp Ljubenic bij Pec bevatte bij nader inzien slechts zeven lijken.

Voorzichtigheid is echter geboden. De terloopse wijze waarop lijken in mijnschachten, ravijnen en met bulldozers gegraven sleuven werden gedumpt tijdens de oorlog in Bosnië (1992-1995), heeft een enorme hoeveelheid belastend materiaal opgeleverd tegen leiders en commandanten van – vooral – de Bosnische Serviërs. Daaruit kunnen de Serviërs een les hebben getrokken.

Woordvoerder Paul Risley van het tribunaal, die net met hoofdaanklager Del Ponte Kosovo heeft bezocht, zegt dat daar veel bewijs is aangetroffen van massagraven die later zijn leeggehaald. Zo claimen inwoners van de stad Djakovica dat de Serviërs 's nachts een massagraf met meer dan honderd lijken hebben leeggehaald.

Tegen deze krant hebben Servische paramilitairen, militairen en politiemensen onafhankelijk van elkaar onderstreept dat het uitwissen van sporen van oorlogsmisdaden een zeer hoge prioriteit had in Kosovo. Een Servische politieman uit Pec zegt dat zijn eenheid vlak na het begin van de NAVO-bombardementen een slachtpartij aanrichtte in een naburig dorp. Zijn commandant ontstak in woede toen hij hoorde dat ze de lijken gewoon in de huizen hadden achtergelaten. Vanaf dat moment werd het routine Albanezen naar het open veld af te marcheren en daar te doden. Vervolgens werd een speciale eenheid gebeld, die de lijken in trucks, en soms in koelwagens, naar een onbekende bestemming afvoerde. Een soldaat zegt dat veel lijken verbrand zijn, onder meer in een ongenoemde smeltoven bij Priština. ,,Een lijk brandt twee uur'', aldus de soldaat. Volgens hem zwol het aantal lijken in de nadagen van de oorlog zo aan, dat ook het reguliere leger moest helpen met opruimen.

Wellicht worden veel vermisten uiteindelijk niet teruggevonden. Paul J. Scheffer, de Amerikaanse ambassadeur voor oorlogsmisdaden, houdt het voorlopig bij zijn schatting van 10.000 doden.

    • Petra de Koning
    • Coen van Zwol