Een ieder z'n Armenië

Armenië. Door zo te beginnen neem ik het risico dat u dit stuk overslaat. Ik zou het zelf namelijk wel gedaan hebben. Ik weet dat het land bestaat, maar als het niet bestond zou ik het verschil niet hebben gemerkt. Ik weet niets van Armenië. Het ligt daar ergens, na Turkije maar voor Rusland of zo. De taal zal Armeens zijn, maar ik heb nooit een Armeens liedje gehoord. Ik weet niet wat ze eten, wat ze verbouwen of in welke god ze geloven. En als ik heel eerlijk ben: ik wil het ook niet weten.

Nu is er een bloedbad aangericht in het parlement. Spring ik overeind, luister ik aandachtig, voel ik iets van betrokkenheid? Nou, nee. De premier is vermoord en dat is bijzonder tragisch, maar was hij een slechte premier of een goede? Ik weet niet hoe hij heet. En de terrorist die begon te schieten, had hij idealen of was hij een regelrechte idioot? Ik beken daarbij weer: ik zit eigenlijk niet op de antwoorden te wachten.

Waarom interesseert het me niet en waarom krijg ik het gevoel dat dat verkeerd is? Ik ben journalist. Op mijn minder bescheiden momenten vind ik dat ik behoorlijk kosmopolitisch ben ingesteld. En ik ben migrant, notabene. Ik heb altijd de ontworteling verheerlijkt en minachtend gedaan over mensen die al hun energie, liefde, kennis en geluk vonden in de omgeving waar hun moeder hen had gebaard. Nee, neem mij dan, man van de wereld – maar door Armenië besef ik dat dat allemaal kletspraat is.

Ik hoor het nieuws op het Journaal en staar voor me uit. Geen gevoel, geen verontrusting, niet eens een lichte zorg. Ik zie de foto in de krant en de vette letters eronder en sla de bladzij gedachteloos om. Gedachteloos, zeg ik met opzet, omdat ik het me pas realiseerde toen ik besloot dit stukje te schrijven met als openingswoord `Armenië'. Beginnen met Armenië, dat was de straf die ik mezelf gaf.

Ik moet het natuurlijk niet overdrijven. Armenië ligt ook heel ver weg. Maar laten we kijken naar wat dichtbij is. Ik woon in een dorp, een plattelandsgemeente. Maar weet ik welke partijen in de gemeenteraad zitten? Nee. Weet ik wat het officiële bestemmingsplan is van de open ruimte naast mijn huis? Niet in het minst. Als hier een asielzoekerscentrum zou worden gevestigd, zou ik dan naar de inspraakavond in het gemeentehuis gaan? Ik denk het niet. Want ik ben niet voor en ik ben niet tegen. Ze doen maar, denk ik, en dat is volgens mij een verdedigbare houding. Ik ben niet dol op asielzoekers, ik vind ze niet per se zielig of heldhaftig, ik vind ze ook niet gevaarlijk of hinderlijk. Als ze hier komen wonen, mij best.

Ik zou me wel opwinden als een of andere gek een avondklok voor ze zou willen instellen. Ik lijk een beetje op een asielzoeker en ik zie gebeuren dat ik tijdens een avondwandeling door de plaatselijke slijter of notaris naar huis word gestuurd.

Maar dat is een strikt particulier belang, en ik wil het hebben over een algemene betrokkenheid bij de hele wereld. Bestaat dat wel, een algemene betrokkenheid? Ik wantrouw mensen die beschikken over een onbepaald engagement, over een nimmer aflatende paraatheid om zo niet daadkracht, dan ten minste medeleven te tonen voor elke situatie in elk gebied. Vroeger kon dat, toen de wereld opgedeeld was in links en rechts, maar nu moet je nadenken, informatie tot je nemen, moeite doen. En die moeite kun je niet voor alles en iedereen opbrengen.

Voor wie of wat dan wel? Waar heb ik een directe betrokkenheid bij of, om te beginnen, een zekere belangstelling voor? Als ze in het Indiase parlement zouden schieten zou ik het nieuws op de voet volgen. Waarom? Raciale herkomst, denk ik. Als Bouterse vertelt dat hij zich tot de Pinkstergemeente heeft bekeerd, barst ik in lachen uit, maar ik mis geen woord. Als Mugabe weer iets krankzinnigs over homoseksuelen verkondigt, luister ik met ergernis, omdat ik met een homoseksuele vriend in Zimbabwe ben geweest. De cricketuitslagen van Trinidad volg ik omdat ik er vorig jaar op vakantie was. Wie president wordt van Indonesië wil ik weten, vanwege een Indonesische vriend.

Dat klinkt erg willekeurig en toevallig, maar misschien is dat in deze tijd de enige mogelijke houding: betrokkenheid is door het toeval bepaald. Per toeval, of door een samenloop van omstandigheden bezoek je een land, waarna je het nieuws daarvandaan een tijd lang volgt, tot het wegebt en de belangstelling overgaat naar het volgende land, waar je ook weer toevallig was. En vriendschap, wat is nou toevalliger dan met wie je bevriend raakt? Maar als ik mijn Oegandese vriend een tijd niet heb gezien, daalt mijn oplettendheid voor het nieuws uit dat land met grote snelheid.

In Nederland ben ik vooral betrokken bij de kleine wereld. Ik krijg geen hartkloppingen van de Betuwelijn, de varkensstapel of de declaraties van Peper. Het zijn de man-springt-uit-raam-, vrouw-schiet-op-hond- en meisje-al-twee-dagen-vermist-berichten die mijn aandacht trekken. En ook dan breng ik niet de energie op om er het fijne van te weten. Ik kijk nooit naar `Hart van Nederland', waarin ze je laten zien waar dat vermiste meisje woonde, hoe die hond het nu maakt en wat de buren denken van de uit het raam gestapte man. Nee, dan schakel ik juist deftig over naar de BBC, waar ze het echte nieuws presenteren, om dan te merken dat Armenië me koud laat.

Het is slecht, het is fout, het is niet-kosmopolitisch. Maar kosmopolitisme in de zin dat je over alles iets wilt weten, overal een mening over hebt en voor alle toestanden in alle gebieden een zekere emotie kunt opbrengen, is onmogelijk. Juist nu we, dankzij tv en computer, onbeperkt kunnen dwalen over de wereld, lijkt er voor een ieder een Armenië te ontstaan. Delen van de wereld die je duister wilt houden, die je niet wilt verkennen, waar je geen energie aan wilt besteden. Want als het nieuws grenzeloos is, ons gevoel is het niet.

    • Anil Ramdas