Een Hollandse Pakistaan

Hockeyers dienen keurige jongens te zijn. Geen luizenbollen. Ze dienen correct gekleed te gaan. Vooral niet volgens de platte Armanimode van de Kalverstraat. Ze dienen de taal van geschoolde mensen te spreken. Geen jargon of turbotaal. Af en toe wat biertjes, maar wel zonder gebral. En ze dienen de verhoudingen in de wereld te kennen. Want wereldvreemd zijn past een hockeyer niet.

Van alle hockeyers is Stephan Veen mogelijk de meest correcte. Een voorbeeld voor allen. Een beetje grijs, een beetje diplomaat, een beetje zuinig. Een 29-jarige man die zakelijkheid en verstand prefereert boven emotie. Als econoom en beursadviseur weet hij wat in de wereld te koop is. Vandaar ook is hij sinds jaar en dag de juiste aanvoerder van het Nederlands team. Maar misschien zijn er toch nog hockeyers die minder onder de indruk zijn van diens antecedenten. Want rivaliteit en afgunst is ook fanatieke hockeyers niet vreemd.

Op mij maakt hij een gedegen indruk wanneer ik hem op de radio ofwel beeldbuis hoor praten. Een hockeyer van zuiver hockeybloed. Maar toch vreemd, denk ik elke keer. Want was zijn vader, Sietze, niet een voetballer? Een kleine, wendbare spits, sterk met de rug naar het doel, aanvaller van het Winschoter WVV (Jan Mulder, Klaas Nuninga, Arie Haan) en van De Graafschap, waarvoor ik hem in de jaren zeventig menigmaal heb zien spelen. Tussen Henk Overgoor, Gerrit Mintjes, Dick Schoenaker, Nico van Zoghel en Guus Hiddink. Een vader als voetballer, is dat niet des te meer een reden om je af te zetten, iets anders te doen dan voetballer worden? Iets heel anders: zoiets als hockeyer.

Zo degelijk en zakelijk hij als hockeyer buiten het veld is (hij onderhandelde met de hockeybond over financiële vergoedingen), zo frivool en avontuurlijk is hij op het veld. Een spelbepalende aanvaller die de bal onnavolgbaar aan zijn stick kan meevoeren en ieder moment kan scoren. Het ontbreekt hem allerminst aan Pakistaanse vaardigheid. Een Shahbaz uit Pakistan of een of andere Singh uit India (waar zijn ze gebleven die vreemde Sikhs met hun lange in olie gedoopte haar in een knotje op het achterhoofd samengebonden?) is hij zeker niet. Maar kenners, waartoe ik mezelf niet reken, dringen zich aan mij op om de snelheid waarmee Veen zich over het veld beweegt te roemen. Ogenschijnlijk op volle snelheid rennend, versnelt hij verrassenderwijs nogmaals zijn tred, zonder de controle over stick en bal te verliezen. Ik heb het wel gezien, hoor, als liefhebber van artiesten. Een stickvaardige man is hij zeker, die Stephan Veen.

Natuurlijk is Stephan Veen dezer dagen tot 's werelds beste hockeyer gekozen omdat hij zo snel en onnavolgbaar hockeyt, en niet omdat hij zo zakelijk is en degelijk als aanvoerder naar buiten treedt. Maar ik als niet-hockeykenner verbaas ik me toch over de blijde boodschap. Is er dan niemand beter dan Stephan Veen? Geen Pakistaan, geen Australiër, geen Duitser, geen andere Nederlander, geen Bloemendaler of speler van Oranje Zwart? Het moeten wel èchte kenners zijn, zij die HGC'er Stephan Veen en 246-voudig international tot 's werelds beste uit hebben roepen.

Een keurige jongen. Geen luizenbol. Correct gekleed. Vooral niet volgens de platte Armanimode van de Kalverstraat. De taal van de geschoolde mens sprekend. Geen jargon of turbotaal. Af en toe wat biertjes, maar wel zonder gebral. Bekend met de verhoudingen in de wereld. Want wereldvreemd zijn past Stephan Veen niet. Een man in wie iedereen een hockeyer herkent.

    • Guus van Holland