Drie grote vliegtuigongelukken

Het neerstorten van het toestel van EgyptAir gisteren is het derde grote vliegtuigongeluk aan de Noord-Amerikaanse oostkust in ruim drie jaar.

Gisteren stortte de Egyptische Boeing 767 neer. Veertien maanden geleden kostte een ramp met een vliegtuig van de Zwitserse vliegtuigmaatschappij Swissair aan de Canadese oostkust het leven aan 229 inzittenden. En in de zomer van 1996 vonden 230 mensen de dood toen een toestel van de Amerikaanse maatschappij TWA in zee stortte nabij New York. Er bestaan opmerkelijke overeenkomsten tussen de drie ongelukken. De vliegtuigen – EgyptAir 990, Swissair 111 en TWA 800 – stegen alle op vanaf de luchthaven John F. Kennedy in New York. Ze hadden elk een noordoostelijke route ingezet langs de kust richting Newfoundland, gebruikelijk voor een oversteek van de Atlantische Oceaan. Elke vlucht stortte min of meer plotseling in zee; TWA bij Long Island, Swissair niet ver van de Canadese deelstaat Nova Scotia, en EgyptAir nabij de kust van de Amerikaanse staat Massachusetts.

Maar er zijn ook verschillen, en Robert Kelly, woordvoerder van de luchthaven John F. Kennedy, verwierp gisteren dan ook suggesties over een mogelijk verband tussen de drie ongelukken en de veiligheidsmaatregelen op het vliegveld. ,,Geen van hen had te maken met het vliegveld'', zei Kelly op een persconferentie. ,,We hebben de hoogst mogelijke veiligheidsmaatregelen.'' Hij sprak van een ,,ongelukkig toeval''.

Bij het TWA-ongeluk ging het, evenals bij EgyptAir, om een vliegtuig van de Amerikaanse vliegtuigbouwer Boeing. Het toestel, een 747, was op 17 juli 1996 op weg naar Parijs toen het tijdens zijn klim plotseling van de radar verdween. Omdat er, evenals bij EgyptAir, geen noodcontact plaatshad tussen cockpit en luchtverkeersleiding, was de oorzaak onduidelijk. Maar inmiddels wordt aangenomen dat het ging om een explosie in de brandstoftank als gevolg van oververhitting.

Aan de ramp van Swissair, op 3 september vorig jaar, ging radiocontact vooraf met Canadese luchtverkeersleiders. De piloot van het toestel, een MD-11 van vliegtuigbouwer McDonnell Douglas, meldde rook in de cockpit. Maar voordat het tot een noodlanding kwam stortte het toestel in het water, waarschijnlijk doordat de condities in de cockpit onhoudbaar waren geworden. De vermoedelijke oorzaak was kortsluiting in de elektrische bedrading, in combinatie met brandbaarheid van het isolatiemateriaal van de leidingen.

De onderzoeken naar beide ongevallen lopen nog. De wrakstukken zijn boven water gehaald om de vliegtuigen te reconstrueren. In het geval van EgyptAir staan duikers voor een moeilijkere taak wat berging betreft, want het vliegtuig is in dieper water beland dan de andere toestellen: 75 meter, nabij de dieptegrens waartoe duikers kunnen afdalen, tegenover 55 meter in het geval van Swissair. Restanten van het toestel van TWA, dat het dichtst bij de kust neerstortte, lagen op een diepte van 35 meter. Een onderzoek rond EgyptAir zal naar verwachting eveneens jaren duren.

    • Frank Kuin