VROEGE GELUIDEN

Dyslexie kan vaak pas met zekerheid worden geconstateerd als het kind al jaren problemen heeft. De speurtocht naar veel vroegere diagnostiek is inmiddels in volle gang.

Het lijkt dus inderdaad mogelijk: voorspellen met welke leermoeilijkheden een baby acht jaar later zal kampen. Slechts 36 uur oud waren de kinderen in het longitudinale onderzoek van de Amerikaan Dennis Molfese (sinds kort verbonden aan de Universiteit van Louisiana, voorheen aan de Universiteit van Southern Illinois) toen ze voor het eerst getest werden. Inmiddels zijn de oudsten bijna twaalf. Afgelopen donderdag presenteerde Molfese als slotspreker van een NWO-symposium over dyslexie in het Nijmeegse Max Planck Instituut een aantal opmerkelijke uitkomsten uit dit bijzondere meerjarige onderzoek.

Van de 198 kinderen in de twee cohorten in Molfese's onderzoek zijn er op achtjarige leeftijd zeventien dyslectisch: ze hebben een normale intelligentie maar hebben grote moeite met lezen. Veertien van deze dyslectici blijken al anderhalf dag na de geboorte specifieke kenmerken te hebben, op grond waarvan voorspeld had kunnen worden dat ze dyslectisch zouden kunnen worden, aldus Molfese. Het gaat op grond van elektrische hersenreacties die de baby's vertoonden nadat Molfese hen verschillende geluiden had laten horen, onder andere de (letter)klanken `Bee' en `Gee'. Een van de hypothesen die Molfese met zijn onderzoek wil testen is dat kinderen die vanaf het allereerste begin moeite hebben met het onderscheid tussen verschillende klanken met een achterstand beginnen die ze moeilijk kunnen inhalen. Ze zullen meer moeite hebben met het begrijpen van taal, moeilijker nieuwe woorden leren, enzovoorts.

Elektroden op de jonge hoofdjes maten de elektrische reacties op dat geluid in verschillende delen van hun hersensen. Van de dyslexiegroep bleek toen al 82 procent een afwijkende hersengolf te produceren. ``Kijk'', zegt Molfese terwijl hij met een laser wijst naar op de muur geprojecteerde grafieken, ``de dylectici missen de vroege piek in hersenactiviteit na 100 milliseconden, die de controlegroep wel heeft. En hun piek na 400 milliseconden is veel groter, alsof ze dan die eerste piek moeten compenseren.'' Dit afwijkende patroon behouden de kinderen, al is er tussen het derde en vijfde jaar veel minder verschil te vinden. Tegenover de 14 goed gescoorde voorspellingen, waren er drie `normale' kinderen die op grond van hun hersendiagram kort na de geboorte ten onrechte als dyslectisch zouden zijn getypeerd – en dus drie dyslectische kinderen die een normaal patroon vertoonden.

golfpatronen

Er zijn nog vragen genoeg over deze bevindingen, waarover een publicatie is aangekondigd in Brain and Language. Onduidelijk is bijvoorbeeld hoe groot de voorspellende kracht is van deze specifieke brain wave op bijvoorbeeld het vierde jaar. En over wat zich nu eigenlijk in de hersenen afspeelt, waardoor dyslectici als zuigeling al zo'n afwijkende hersengolf produceren, laat Molfese zich niet uit. ``Want dat weten we niet.''. Maar dàt er iets aan de hand is, werd op het Dyslexie-congres wel duidelijk. De Fins-Amerikaanse e onderzoeker Paavo Leppänen (Rutgers Universiteit, New Jersey) rapporteerde ook over typerende elektrische golfpatronen in de hersenen van zeer jonge kinderen uit families waarin veel dyslexie voorkomt bij het beluisteren van spraak. Deze kinderen met een verhoogd risico op dyslexie vertonen ook allerlei subtiele en minder subtiele taalachterstanden. Hun woordenschat bijvoorbeeld is, als ze 28 maanden oud zijn, kleiner dan die van `normale' kinderen (het gaat om een verschil van 50 woorden op een totaal van ca. 400). Ook maken ze kortere zinnen. Harde gegevens over dyslexie zijn echter nog niet beschikbaar uit dit Finse cohort, omdat de oudste kinderen daarin nog maar zes jaar zijn, te jong dus om met zekerheid dyslexie vast te kunnen stellen.

De gegevens zijn koren op de molen van de Stuurgroep van het twee jaar geleden begonnen NWO-project Dyslexie die het Nijmeegse congres `Searching for early precursors'. ``Het is ontzettend interessant onderzoek'', zegt Florien Koopman-van Beinum, van de Universiteit van Amsterdam en lid van de NWO-stuurgroep Dyslexie over Molfese, ``en een goede reden voor verder onderzoek''. Volgende maand worden in Nederland de eerste baby's getest en gevolgd tijdens hun hele jeugd. Molfese doet een algemeen cohortonderzoek naar ontwikkeling, maar het Nederlandse onderzoek, waarin 220 kinderen worden genomen, richt zich specifiek op kinderen uit families waar dyslexie voorkomt. Kinderen uit dergelijke gezinnen hebben een veel grotere kans dan anderen om óók dyslexie te krijgen. Ook is genetisch onderzoek begonnen onder een groep van 200 gezinnen waarin ten minste twee kinderen aan dyslexie lijden.

Tijdens zijn lezing relativeert Molfese enigszins de mogelijkheden om de betrokken kinderen vroegtijdig therapie te geven. ``Onder psychologen bestaat de folklore van: vroege interventie is goed'', zegt hij. ``Maar we doen het eigenlijk nooit omdat mensen pas naar ons toe komen als er problemen zijn. We hebben er geen ervaring mee. De komende tien jaren zullen we daaraan hard moeten werken. Veel meer dan zo'n kind verzadigen met dit soort geluiden kunnen we nog niet. Maar we moeten het waarschijnlijk wel doen.''

Het NWO-onderzoek richt zich mede op de mogelijkheden tot ingrijpen vanaf vier jaar. `Waarom niet op nòg eerder ingrijpen?' vraagt iemand uit de zaal. ``Dat zouden we wel willen'', antwoordt NWO-stuurgroeplid A. van der Leij (Vrije Universiteit), ``maar daar is geen geld voor.'' Overigens is therapie voor dyslectici nu pas mogelijk rond het negende jaar, omdat pas dan een duidelijke diagnose kan worden gesteld. Eerder kan moeilijk worden uitgesloten dat de leesproblemen te wijten zijn aan een lage intelligentie – een geheel andere problematiek. Een van de belangrijkste doelstellingen van het NWO-project is dan ook vroege kenmerken van dyslectici te vinden die kunnen leiden tot eerder ingrijpen.

Niet iedereen is het overigens eens met de noodzaak tot héél vroeg ingrijpen. Een van de aanwezigen in de zaal was de Brit Ron Nicolson, van de Universiteit van Sheffield. Hij is de man achter de invloedrijke hypothese dat dyslexie veroorzaakt wordt door een algemeen leerprobleem: dyslectici zijn slechter dan anderen in het automatiseren van taken. Normaal valt dat niet zo op, maar bij lezen worden zulke hoge eisen aan die automatisering gesteld dat het gebrek daar als eerste blijkt. De moeite die dyslectici hebben met het herkennen van sommige klanken hangt daar waarschijnlijk ook mee samen. In de wandelgangen wees Nicolson op de gevaren van ingrijpende veranderingen in de omgevingsfactoren. ``Natuurlijk zou je de ouders van kinderen met een verhoogd risico moeten aanmoedigen veel tegen deze baby's te praten, en vooral in het typische taaltje dat moeders dan gebruiken, met veel nadrukken en toonverschillen. Maar als je meer gaat doen weet je niet welke àndere cruciale ontwikkelingen je bij het kind zult verstoren omdat je hem dag in dag uit met een koptelefoon op naar geluidjes laat luisteren. Je kunt niet gaan experimenteren met de omgevingsfactoren.''

Ook tegenover de therapieën voor oudere kinderen neemt Nicolson een terughoudende positie in. ``Er zijn geen wondertherapieën. Negentig procent van de behandeling bestaat eruit dat je die kinderen hun zelfvertrouwen teruggeeft. Dat is namelijk ernstig beschadigd doordat ze meestal al drie jaar lang problemen op school hebben. Die vicieuze cirkel moet worden doorbroken. Verder moet je veel oefenen met snelle feedback. Wat die kinderen nodig hebben is eigenlijk gewoon onderwijs, maar dan wel heel erg goed gewoon onderwijs.''