Teleurstelling domineert in Georgië

De Georgiërs kiezen morgen een parlement. Voor velen geen reden voor gejuich: Georgië is een land van desillusie en boosheid, waar het parlement weinig te zeggen heeft.

Veel van de 5,4 miljoen Georgiërs hebben eigenlijk geen tijd voor (en geen zin in) verkiezingen: ze hebben het in dit verpauperde land in de Kaukasus veel te druk met overleven. En velen zien er ook het nut niet van in, want hier heeft de president, Edoeard Sjevardnadze, veel macht en het parlement heel weinig. Zelfs de regering is niet meer dan Sjevardnadze's uitvoerend orgaan, onder een premier die niet eens premier mag heten maar door het leven gaat als `minister van staat'.

Op het spel staan 235 zetels in het parlement. Er doen dertig partijen en blokken mee. De enige èchte uitdager van Sjevardnadze's partij, de Burgerunie, is de coalitie Vernieuwing van Aslan Abasjidze, die volgend jaar president wil worden. Abasjidze leidt de regio Adzjarië in het zuidwesten van het land. Daar is hij populair, want het gaat Adzjarië beter dan de rest van Georgië, vooral doordat `s lands belangrijkste haven Batoemi er ligt en hier de handel met Turkije wordt afgewikkeld. Bovendien: terwijl Georgië een burgeroorlog, een oorlog tegen de Osseten en een oorlog tegen de Abchaziërs uitvocht, bleef Adzjarië tien jaar rustig. Dankzij Abasjidze.

Abasjidze was ooit een aanhanger van Sjevardnadze, maar dat is verleden tijd. Vorig jaar klaagde hij over complotten vanuit Tbilisi om hem af te zetten en zelfs te vermoorden, Abchazië te destabiliseren en een godsdienstoorlog te ontketenen (de meeste Adjariërs zijn moslims, de meeste andere Georgiërs zijn christenen). Sjevardnadze, aldus Abasjidze, verdraagt geen rivalen. Hij heeft van Georgië ,,een corrupt en crimineel land'' gemaakt. Zijn aanhangers, inclusief de politie, bedreigen en intimideren aanhangers van de oppositie. Sjevardnadze van zijn kant verdenkt Abasjidze van coupneigingen en zijn aanhang noemt Abasjidze `megalomaan', `paranoïde' en `schizofreen'. Als Vernieuwing morgen wint, aldus Sjevardnadze, is dat ,,een parlementaire coup'' van ,,reactionaire partijen die gestolen geld gebruiken''. De partijen hebben de afgelopen weken gegrossierd in wederzijdse dreigementen met geweld en beschuldigingen van fraude.

Men hoeft in Georgië niet lang rond te lopen om iets te merken van de verbittering over de rampzalige situatie in het land. In de restaurants eten de nieuwe rijken per avond vier of vijf gemiddelde maandlonen van zestig gulden op (als ze afzien van kaviaar en champagne) terwijl buiten op straat de oude besjes die de godganse dag achter een schaaltje met zonnebloempitten zitten blij mogen zijn als ze met twee gulden naar huis gaan. Elke tien meter staat een bedelaar, meestal een bejaarde, want van twaalf gulden in de maand kan niemand rondkomen, en dat pensioen wordt pas na maanden of helemaal niet uitbetaald. In mei ontbrak zelfs het geld voor de traditionele parade op Onafhankelijkheidsdag. ,,We hebben het geld niet om de auto's van het ministerie vol te tanken, laat staan dat we het geld voor een parade hebben'', zei het ministerie van Defensie.

Geld om politie en leger te betalen is er evenmin: een majoor die in drie, vier oorlogen heeft gevochten, van Afghanistan tot Tsjetsjenië (,,Ik heb tien jaar onder de kogels gelegen''), vertelt al vier maanden geen geld te hebben gehad en het land zo snel mogelijk te willen verlaten om – waar dan ook en desnoods als illegaal – te gaan werken. Een verbitterd man: ,,Alles wat je voor dit land doet, verandert in azijn. Er zijn in Georgië geen tien eerlijke ondernemers en niet één eerlijke politicus. Iedereen steelt, bedriegt, perst uit, perst af.''

De industrie is ingestort: in de vroegere industriestad Roestavi herinneren honderden schoorstenen als stomme getuigen aan het verleden; uit slechts twee daarvan komt wat rook. De industrie is na de ontmanteling van de Sovjet-Unie en de teloorgang van handelsbanden met de buren veranderd in één groot kerkhof vol roestende machines, gebroken leidingen en dode schoorstenen, als vage uitroeptekens boven gebouwen in elke denkbare staat van verval.

De landbouw in de uiterst vruchtbare dalen is ook ineengestort, want benzine voor de tractor, pesticiden en kunstmest zijn er niet meer en kopers met geld zijn er ook niet. Werk, officieel werk, is niet te vinden: 63 procent van het BNP wordt in de zwarte sector verdiend, een wereldrecord. Lenin is weggehaald van het plein voor het stadhuis van Tbilisi, maar er is niets voor in de plaats gekomen.

De desillusie keert zich tegen de man die het land leidt. Voor het Westen is Sjevardnadze de man die de Berlijnse Muur sloopte. Hij wordt er nog prettig voor gefêteerd. ,,Hij is erin geslaagd van het door oorlogen en burgeroorlogen geruïneerde land iets stabiels te maken. Hij leidt een heel klein, heel zwak en heel arm land. Maar ik denk dat we hem moeten bedanken omdat we nog steeds op de kaart staan'', zei onlangs een lid van de academie van wetenschappen tegen The Wall Street Journal. Maar dat is een visie van de nomenklatoera die op straat niet wordt gedeeld.

Daar, op straat, weet men zich van armoe geen raad. Daar weet men dat één op elke tien kinderen die in Georgië worden geboren, geestelijk of lichamelijk gehandicapt is wegens de slechte voeding en dito medische verzorging en dat in sommige gebieden uit pure wanhoop het geboortecijfer tot nul is gedaald. Daar weet men ook dat wegen verkruimelen en gebouwen vervallen, dat weinigen steenrijk worden en de massa verpaupert. Dat niemand werk kan vinden. Dat de bureaucratie intens corrupt is. Dat initiatief wordt bestraft. Twee bedelende vrouwtjes in Tbilisi – samen hebben ze nog drie voortanden – halen onder het noemen van de naam Sjevardnadze sissend van kwaadheid een vinger langs de keel: het is zíjn schuld dat het almaar slechter gaat en dat zij na een leven van ploeteren letterlijk tot de bedelstaf zijn veroordeeld. En kwaad: ,,Hij heeft voor jullie de Sovjet-Unie opgeblazen''.